Invloed van sociale klasse op schoolprestaties afgenomen; Maatschappelijke functie ouder kan kind beinvloeden

AMSTERDAM, 11 jan. - De invloed van de sociaal-economische herkomst van de ouders op de schoolprestaties van hun kind(eren) is de laatste decennia sterk gedaald, hoewel nog steeds substantieel. De invloed van het gezin op de kansen van het kind op school is echter nauwelijks verminderd.

Dit zei prof.dr. J. Dronkers vanmiddag bij de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. Dronkers presenteerde nieuw materiaal over de invloed die klasse, gezin en individuele kenmerken uitoefenen op de kansen van kinderen in het onderwijs. Ook onderzocht hij de historische ontwikkeling van deze factoren na de Tweede Wereldoorlog.

Hoewel de school zelf ook invloed heeft op de kansen in het onderwijs, bedraagt die volgens de meeste empirische onderzoeken niet meer dan tien tot vijftien procent. De rest komt voort uit het milieu en de individuele kenmerken van de leerling.

Tot nu toe waren in het sociologisch onderzoek sociaal-economische invloeden op de onderwijskansen moeilijk te onderscheiden van gezinsinvloeden. Dronkers vergeleek echter de gegevens van leerlingen met die van hun broers of zussen. Waar deze vergelijkbare schoolprestaties behaalden die echter weer verschilden van de prestaties van kinderen uit dezelfde sociale milieus, kwam volgens Dronkers de gezinsinvloed bloot te liggen. In Nederland zijn slechts drie van dergelijke onderzoeken uitgevoerd.

Op basis van vraaggesprekken met ongeveer 500 kinderen in Tilburg en Goirle concludeert Dronkers dat 25 procent van de verschillen tussen hun bereikte niveaus in het onderwijs moet worden toegeschreven aan klasse (voor kinderen van vaders die voor 1930 geboren waren was dat nog 52 procent). Het gezin verklaart volgens Dronkers 19 procent van de huidige verschillen (was 25 procent) en individuele kenmerken 56 procent (was 23 procent). Deze verdeling komt overeen met vergelijkbaar Duits onderzoek. Voor kinderen van gescheiden ouders en allochtone ouders - beide zaten niet in de onderzochte groep - zouden de resultaten iets anders uit kunnen vallen, aldus de onderwijssocioloog.

Onder de factor klasse schaart Dronkers zaken als de opleiding van vader en moeder en de sociaal-economische omstandigheden (werk-geen werk). Met het gezin duidt hij uiteenlopende dingen aan als karaktereigenschappen, gezondheid of gewoontes van ouders, de opvoeding van hun kinderen en de aandacht voor hun schoolprestaties. Ook de uitoefening van maatschappelijke functies door de ouders kan effect hebben op de kansen van hun kinderen, zegt Dronkers. “Vader Stekelenburg, wiens zonen op vooraanstaande posities terecht kwamen, was behalve metaalarbeider bij de DEMKA ook een zeer actief vakbondsactivist. Dit heeft invloed gehad op de prestaties van zijn kinderen.”

Dronkers noemt dergelijke effecten per gezin wel aanwijsbaar, maar ze zijn moeilijk te generaliseren. “Het is moeilijk aan te tonen wat nu een groter effect op onderwijskansen heeft: het vakbondsactivisme van de vader, het regelmatig samen zingen rond het harmonium thuis of het samen lezen van de Kijk (een populair wetenschappelijk tijdschrift, red.).”

Broers en zussen kunnen uiteenlopend op klasse- en gezinsfactoren reageren en daardoor weer verschillend presteren op school. Dit verklaart Dronkers uit individuele kenmerken en omstandigheden. Die kunnen samenhangen met psyche, intelligentie, gezondheid of sociaal gedrag, maar ook met toevallige persoonlijke omstandigheden zoals examens die werden gemist door een ongeluk.

De groei van de relevantie van de individuele kenmerken onderstreept volgens Dronkers de voortschrijdende individualisering van de Nederlandse samenleving. Deze komt volgens de onderwijssocioloog voor het grootste deel voort uit het verdwijnen van klasse-bepaalde barrieres (bijvoorbeeld door de introductie van studiefinanciering). De mogelijkheden die zo voor kinderen uit de lagere klassen in het onderwijs ontstonden, worden echter slechts ten dele benut, aldus Dronkers. Het gezin kan daarbij als remmende factor werken. Dronkers: “Er is verondersteld dat het gezin slechts een doorgeefluik is van de sociaal-economische verschillen die de onderwijskansen zouden bepalen. Uit mijn onderzoek blijkt dat het gezin daar zelf veel aan toevoegt. De invloed van het gezin op sociale ongelijkheid is bijna even groot als die van de klasse.”

Onderwijsbeleid dat is gericht op de vermindering van de ongelijkheid van kansen in het onderwijs richt zich echter op de klasse en niet op het gezin. Zo krijgen scholen extra geld voor allochtone en arbeiderskinderen, schipperskinderen en dergelijke. Toch kan Dronkers geen alternatief bedenken en pleit daarom voorlopig voor voortzetting van dergelijk beleid.

De hardnekkige invloed van het gezin en van individuele kenmerken geven volgens hem echter wel eens te meer de grenzen aan van de invloed die de overheid op de ongelijkheid in het onderwijs kan uitoefenen. Zo staat het voortgezet onderwijs een majeure operatie te wachten die onder meer tot doel heeft de kansen van kinderen in achterstandssituaties te vergroten (basisvorming). Dronkers is er van overtuigd dat dergelijke grote ingrepen dat doel nauwelijks dichterbij brengen.

    • Kees Versteegh