Inmenging

De teneur van mr. Waanders' beschouwing (NRC Handelsblad, 9 januari) verdient bijval. Hij acht rechterlijke inmenging in de verhouding tussen regering en Staten-Generaal 'moeilijk denkbaar'.

Ik zou een stap verder willen gaan en een dergelijke inmenging als niet toelaatbaar willen bestempelen, omdat ik meen dat zij strijdig zou zijn met ons staatsrecht. In de kwestie van de 'oorlogsverklaring' gelden de gebruikelijke regels, die de verhouding tussen kabinet en Saten-Generaal beheersen. Geen rechter kan op de stoel van een van beide gaan zitten. Dat zou een vorm zijn van dikastocratie (rechtersheerschappij), zoals professor George van den Bergh dat noemde.

Veel zinvoller dan het aanspannen van een kort geding om het kabinet te laten dwingen de toestemming van de Staten-Generaal te vragen voor een 'oorlogsverklaring', is de procedure die Groen Links wil hanteren; een debat in een verenigde vergadering van Eerste en Tweede Kamer bewerkstelligen. Men behoeft het inhoudelijk niet eens te zijn met deze fractie om de beoogde procedure toch juist te achten.

Sprekend over oorlogshandelingen is het overigens merkwaardig dat de Veiligheidsraad-resolutie 678 (ook uitdrukkelijk besproken in de regeringsbrief van 8 januari aan de Tweede Kamer) de VN-lidstaten 'machtigt' alle noodzakelijke middelen te gebruiken om de eerdere resoluties van de VR uit te voeren. Immers, art. 43 van het VN-Handvest geeft de VR zelfs het recht uitdrukkelijk 'op te roepen' strijdkrachten enz. aan de VR ter beschikking te stellen.

Men zou kunnen verdedigen dat voor het metterdaad beginnen van krijgshandelingen daarom nog een nadere uitspraak van de VR nodig is. Maar ik meen dat Nederland, dat altijd op de bres heeft gestaan voor de handhaving van het volkenrecht, gehoor dient te geven aan iedere oproep tot het keren van agressie.