Ik heb mijn hele leven niet een keer gedanst; Gesprek met V. S. Naipaul op Trinidad

V. S. Naipaul is dikwijls aangevallen wegens zijn kritische kijk op de derde wereld. Trinidad beschreef hij als een oncreatieve samenleving, de viezigheid in de straten van India vervulde hem met afschuw, Afrika werd volgens hem geregeerd door mythes. Zijn blanke critici beweren dat zij meer begaan zijn met India en Afrika dan hij. “Ik weet dat het niet waar is, “ zegt hij “ik weet dat zij het elk moment van zich af kunnen schudden, dat ze kunnen zeggen: ik ben klaar met Afrika, of met India, op een manier waarop ik er nooit klaar mee zal zijn. “

Blaffende honden springen tegen me op als ik het lage huis nader dat verscholen ligt achter helgroen tropisch gebladerte. Een smalle man maakt zich los uit de schaduw op het overdekte terras. Hij draagt een groene sweater boven een beige katoenen broek; heeft kleine handen met kortgeknipte nagels, een donkere, zachte huid - hij is zo anders dan ik hem ken van foto's, zoveel meer ontspannen, dat ik spontaan zeg: 'U ziet er goed uit!' Hij glimlacht. 'Waarom zou ik er niet goed uitzien? '

Op dat terras praten we, tot de abrupt vallende duisternis - het uur van de muggen - ons naar binnen drijft, waar zijn zuster Kamla in de weer is met het versieren van de kerstboom. Kerstmis in een familie met Hindoe-tradities; het is een van die schijnbare tegenstellingen waar het in zijn boeken van wemelt.

V. S. Naipaul is in het Caribisch gebied om een nieuwe blik te werpen op het landschap van zijn eerste reisboek The Middle Passage (1962). Hij zal erover schrijven, maar weet nog niet hoe. “Men komt om de zoveel jaar terug en hoopt iets nieuws te zien.”

Hij is net terug uit het naburige Guyana. Hij wilde de marxistisch-leninistische leider Cheddi Jagan vragen hoe het is om aan het einde van zijn leven in de steek te worden gelaten door zijn bondgenoten in Oost-Europa. De vraag leek voor zijn vertrek uit Londen zo simpel, maar tijdens al zijn gesprekken met Jagan kreeg hij er geen antwoord op. “Het was te moeilijk voor hem, “ zucht hij, “het zou hetzelfde zijn als te moeten toegeven dat je dertig jaar geleden met een verkeerde vrouw bent getrouwd.”

De tragedie van Jagan hield hem nachtenlang uit zijn slaap. In The Middle Passage beschreef hij hem met mededogen. Ik vraag hem hoe hij zich nu over de man voelt. “Een mengeling van sympathie, woede en melancholie, “ zegt hij, “hij was een slecht politiek leider, hij hielp zijn land naar de vernieling.”

Zijn geboortegrond Trinidad stoort hem niet minder. In 1950, hij was toen achttien, ging hij hier weg. Veel verstandige mensen hebben het eiland sindsdien verlaten, zegt hij, en de achterblijvenden werden vergast op de olieboom en het gemakkelijke geld. Materiele rijkdom wordt tegenwoordig afgemeten aan het aantal keren per week dat je dronken kan worden, en aan het volume dat uit je geluidsinstallatie dendert.

De hoofdstad Port of Spain mijdt hij, maar ook hier, in de sugarbelt van Trinidad, waar de Indiers in de vorige eeuw na de afschaffing van de zwarte slavernij als contractarbeiders naar toe werden gehaald, rukken de decibellen op. De Indiase overbuurman heeft zich aangesloten bij een Afrikaanse kerk, elke zondag draait hij cassettes met toespraken van zijn predikant, keihard, als een publieke getuigenis. Om de drie huizen is er een rumshop - 's nachts is het net een popfestival.

“Or do you find all that music jolly, “ vraagt hij als hij me ziet lachen. Calypsomuziek, steelbands, carnaval - hij haat het allemaal. “Ik heb in mijn hele leven niet een keer gedanst.”

Die middag racen de honden uitzinnig blaffend achter een vertrekkende auto aan en rijden pick-ups met tetterende megafoons langs. Dan kijkt hij me gepijnigd aan. “Zie je? Het geluid stopt nooit. Voor mij is het een kwelling, maar hier houden ze ervan. They don't work with the mind.”

Ik begin met hem mee te voelen. Op zintuigen als de zijne moet al die uitbundigheid een grove aanslag zijn. Terwijl we praten, registreert hij alles in detail: de honden die een hagedis achternazitten op het erf, de kolibrie die wegduikelt in de dikke groene bladeren van de wilde bananenboom. Hij benoemt de bomen rond het terras, de cashewboom aan de rand van het open veld, de mangoboom, de flamboyant - zodat ik bij onze volgende ontmoeting door het benoemde landschap heen kan kijken; dan pas hoor ik de schrille kreten die uit het belendende huis komen.

“Wat is dat voor een beest?”

“Oh, dat is de papegaai van de buren, “ sust Kamla. Onder het afdak zie ik hem zitten op zijn stokje: hij heeft een lange blauwe staart.

“Er wonen ook nog andere beesten, “ zegt Naipaul, kwaadaardig met me meeturend, “beesten zonder blauwe staart.”

SCHOOLMEESTER

Zes jaar was V. S. Naipaul toen hij zijn eerste schrijversobservatie maakte. Hij herinnert het zich nog haarscherp. Het was een weekend, zijn schoolmeester was aan het verhuizen, hij duwde een handkar met zijn bezittingen voor zich uit door de hoofdstraat van Chaguanas, enkele kilometers hiervandaan. Toen Naipauls vader hem aansprak, zei de man: “In plaats van het door verhuizers te laten doen, dacht ik: laat ik het zelf doen.” Verhuizers, alsof hij geld had om die te betalen! Het kind dacht: zo gedragen arme mensen zich, en voelde zich triestig.

Chaguanas, dat was het huis van de machtige Capildeo-familie waar zijn vader, een arme Indiase brahmaan, ingehuwd was. Het domineerde de hoofdstraat, een statig stenen huis van drie verdiepingen met arcades op lotusvormige pilaren; voorin een stoffenzaak, achterin een bijenkorf van mensen.

Het was een wereld die elke nieuwkomer absorbeerde, een verschrikkelijke wereld vol Hindoe-rites, regels en gebruiken. Naipauls vader, die ooit voorbestemd was geweest om pundit - Hindoe-geleerde - te worden, weigerde zich op die manier te laten uitvagen. Hij was een journalist die ervan droomde schrijver te zijn, een ambitie die hij op zijn zoon Vidiadhar, en later ook op de jongere Shiva, overdroeg. In Een huis voor meneer Biswas (1961) zou V. S. Naipaul zijn rebellerende vader - meneer Biswas - op epische wijze beschrijven.

Het huis staat er nog steeds, de witte muren bedekt met een solide laag zwarte schimmel, de fiere rode leeuwen op het balkon verschoten van kleur, de god Ganesha gehavend, zijn olifanteslurf afgebroken. Drugstore meldt een bordje boven de winkeldeur. Binnen zit mister Greene, een morose oude man met grijs kroeshaar, vanachter zijn toonbank over de zonverlichte straat te turen. Het is volstrekt onduidelijk wat hij verkoopt; de glazen uitstalkasten zijn nagenoeg leeg - hier en daar een omgevallen flesje met een beduimeld etiket.

Toch heeft het Leeuwenhuis iets van zijn vroegere allure behouden en het is niet moeilijk - vooral nu niet, met al die kerstdrukte in de winkelstraat verderop - om de hoogtijdagen in herinnering te roepen, als de winkel volhing met hulst en besjes, als het hele huis zinderde van geheimzinnige bedrijvigheid en alle kinderen uitkeken naar de ochtend waarop ze appels in blauwe wikkels, blikken fluitjes, rubberen poppetjes en ballonnen in hun rode vilten kous zouden vinden.

Omdat Naipaul stamde uit een familie van pundits, werd hij als kind door iedereen met eerbied gehandeld. “Ik had altijd het gevoel beschermd te zijn, bestemd te zijn voor belangrijke dingen, “ zegt hij, “het zat al in mijn naam: Vidiadhar betekent 'gever van wijsheid' - alsof dat mijn functie moest worden. Ik was me daarvan bewust, het gaf me te midden van de koloniale troosteloosheid en armoede waarin we leefden, een enorm zelfvertrouwen.”

Kamla herinnert zich dat hun vader hun voorlas - Oliver Twist, David Copperfield, maar ook zijn eigen verhalen. Zij viel altijd in slaap, maar Vidia luisterde geboeid. Veel verhalen die hun vader schreef maakte hij niet af; er heerste geen literaire traditie op het eiland.

OXFORD

Al heel jong daagde bij Naipaul het besef dat hij weg moest als hij wilde ontsnappen aan de tragiek van zijn vader. Weggaan betekende in die toenmalige Britse kroonkolonie: naar Londen gaan. Drie gouvernementsbeurzen per jaar waren er beschikbaar voor scholieren uit Trinidad. “Kan je je voorstellen wat een grote druk dat betekende? Het is alsof er in Nederland veertig mensen per jaar universitair onderwijs zouden krijgen.”

Maar hij haalde het. De hele familie stond die zomerdag in 1950 op het vliegveld om hem uit te wuiven. Anderen vertrokken om rechten of medicijnen te studeren, vakken die garandeerden dat ze later op het eiland een hoge positie zouden bekleden. Naipaul had Engelse literatuur gekozen, een studie die de weg terug voorgoed afsloot.

Zijn moeder had hem bananen meegegeven, en een gebraden kip die hij die nacht in zijn hotel in New York boven de prullenmand opat, voor het eerst vervuld van schaamte om de sterke geur die het gerecht verspreidde.

Met hoeveel spanning en verwachting had hij naar zijn nieuwe thuishaven uitgekeken. En toen was hij in Oxford, in augustus, terwijl de colleges pas in oktober begonnen. De moeilijkheid om de dagen te vullen! “Ik begon de eenzaamheid te voelen die men ondervindt als men voor het eerst reist. Hoe ontmoet je mensen als je in een nieuwe plaats aankomt? Ik ben nu bijna zestig, ik weet een beetje hoe het moet. Maar als men achttien is, weet men dat niet.” Ik, je, men - hij gebruikt die drie vormen voortdurend door elkaar heen als hij over zichzelf praat.

Mijn vragen over die beginperiode in Oxford irriteren hem. Waarom wil ik weten of er geen andere West-Indiers waren? De plaats waar hij zich bevond was Engeland, niet West-Indie. “Als je dat niet begrijpt, begrijp je de rest ook niet, “ zegt hij verstoord. Oxford was geen echte campus, het bestond meer uit een serie hotels. De semesters waren heel kort. Dan kwam de vakantie. Als je geen familie had, zat je voor je het wist alweer in je kamer, alleen.

“Ik kan niet vertellen hoe hard het was, “ zegt hij, “ik denk niet dat je het kan begrijpen. Men geneest nooit helemaal van de isolatie, de eenzaamheid van die jaren. Gebrek aan ervaring, gebrek aan geld; sociale en seksuele onhandigheid. En ook, geloof ik, het besef dat het lang zou duren voor ik zou beginnen te schrijven. Het is een periode van duisternis in mijn leven die nog niet onderzocht is, een onderwerp voor een boek. Ik wil er in de volgende vijf jaren iets mee doen. Als ik erover schrijf, zal ik het misschien kunnen bezweren.”

De brieven die hij destijds aan zijn familie schreef, liggen in een bank in Port of Spain. Hij wil ze meenemen naar Engeland, hoopt dat hij de angst om ze opnieuw te lezen zal kunnen overwinnen. Hij vreest de onechtheid in die brieven - misschien stelde hij de dingen beter voor dan ze waren.

Hij moest weer aan die tijd denken toen hij de afgelopen week in Guyana was. Cheddi Jagan was in 1936 naar Amerika gegaan om te studeren. Hoe was het voor hem om na zeven jaar van isolatie en ontwrichting weer in Guyana te zijn? Gandhi was uit Zuid-Afrika gekomen met het ideaal van de persoonlijke purificatie, Jagan kwam terug met zijn marxistisch-leninistische ideeen.

“Misschien was Jagan minder toegerust dan ik, “ zegt hij weifelend, “zijn familie was ontzettend arm. Ik had een goede opleiding gehad, ik had een literaire roeping, die had hij niet.” Door en door gekoloniseerde mensen zijn niet echt, zegt hij, ze leven in dromen die hun opgelegd zijn door anderen, ze kunnen zelfs hun meest intieme emoties niet vertrouwen. Hij haalt een citaat aan van Thomas Mann over de kinderen van Israel, dat hij in The Middle Passage gebruikte: “Ze vertrouwden zelfs de bitterheid niet die ze voelden tegenover hun slavernij.”

PLASSEN

Toen Naipaul drie jaar in Engeland was, stierf zijn vader. “Mijn moeder schreef me brieven over geld, maar ik wist dat ik die moest negeren. Het zou niets opgelost hebben als ik terug was gekomen, ik had geen beroep, het enige dat ik had kunnen doen was een baantje als leraar nemen. Het was een zeer moeilijk moment in mijn leven, je had verdriet maar je had niets te bieden want je talent was onontwikkeld. Ik had een lange weg te gaan, ik moest mijn onderwerp nog ontdekken.'

Temidden van zijn innerlijke eenzaamheid begon hij te schrijven. Over Trinidad. Hij had een wonderbaarlijk geheugen, hij kon alles terugspelen als een film: hij zag hoe de regen viel, hoe de lucht reflecteerde in de plassen, hij zag de gezichten van mensen, probeerde betekenis te onttrekken aan gebeurtenissen. Alleen van het ritme van de seizoenen had hij geen idee. Hoe hoog was het suikerriet met Kerstmis? Dat moest hij in een brief aan Kamla vragen.

“Schrijven werd als het betreden van een tuin, ik kon er mijn pijn vergeten. Een van mijn grappigste boeken is geschreven temidden van grote troosteloosheid. Het was 1956, ik was voor het eerst weer op Trinidad. Mijn boek Miguel Street (1959) had die herfst moeten verschijnen, maar het was niet gebeurd. Ik was woedend, vol verdriet. Die koude winterse overtocht terug naar Engeland: geen boek aan de andere kant, wanhoop, spanning. En toen schreef ik Stemmen in Elvira (1958), over de verkiezingen die ik in Trinidad had meegemaakt. Het zit vol grappige dialogen - en ik ben aan het huilen, ik bloed!”

Een huis voor meneer Biswas, dat drie jaar later verscheen, werd meteen herkend als een meesterwerk, maar voor de 29-jarige Naipaul brak een nieuwe periode van angst aan: hij had het gevoel dat hij aan het einde van de wereld was gekomen, dat zijn materiaal - zijn kinderjaren in Trinidad - was uitgeput, dat hij niet in staat zou zijn een ander boek te schrijven.

Voor veel schrijvers met een vergelijkbare achtergrond was dit inderdaad een eindpunt: ze schreven misschien nog een boek over hun ervaringen in Engeland, en dan was het voorbij, hun verleden geexploreerd, de weg naar nieuw materiaal afgesneden. Maar Naipaul zou daarna nog zeventien reisboeken, romans en essaybundels schrijven. Sprong na sprong maakte hij: van India, het land van zijn voorouders, naar Afrika, waar de zwarte inwoners op Trinidad vandaan kwamen, naar Zuid-Amerika, het continent waar Trinidad in een diep verleden van was losgescheurd. Het Venezolaanse landschap was hem volkomen vertrouwd - dezelfde steile rotsen aan het strand, dezelfde tropische plantengroei. Zo trof hij overal dingen aan die hij herkende - elke reis bracht hem dichter bij de waarheid over zichzelf.

GELEENDE DOCTRINE

Ik begin zijn irritatie over mijn eerdere vragen te begrijpen: toen hij in Engeland arriveerde, was zijn blik vooruit gericht, hij wilde niet blijven haken in het verleden. Cheddi Jagan kwam na zeven jaar Amerika terug naar Guyana met een geleende doctrine - Naipaul weigerde zo'n simpele oplossing. Als reiziger had hij meteen al een ongewone, eigenzinnige kijk op de dingen: Trinidad beschreef hij als een oncreatieve samenleving, de viezigheid in de straten van India vervulde hem met afschuw, Afrika werd volgens hem geregeerd door mythes. Zijn romans die zich in die landen afspeelden waren somber en onheilspellend.

Het werd hem niet door iedereen in dank afgenomen. Hier was een man aan het woord die weigerde zijn gekoloniseerde achterland in bescherming te nemen! Het linkse Westen verweet hem dat hij reactionair was, in de Derde Wereld vond men hem een verrader.

“Toen ik begon te schrijven zorgde ik er voor om bepaalde politieke cliches als 'kolonialisme' en 'imperialisme' niet te gebruiken, ' zegt hij, “dat had ik van mijn vader: die zei altijd dat we naar binnen moesten kijken. In zekere zin is dat heel Indiaas. Gandhi had het ook, hij bestreed niet alleen de Britten, hij probeerde India ook van binnenuit te veranderen.”

ETEN, ETEN, ETEN

In zijn vaders boekenkast stond Hindu manners, customs and ceremonies van Abbe Dubois, een Franse priester die in de achttiende eeuw door India had gereisd. Het boek had in India indertijd woedende reacties uitgelokt, maar Naipauls vader was het helemaal met de schrijver eens. Dubois had bijvoorbeeld opgemerkt dat brahmanen op religieuze gelegenheden zoveel aten dat ze nauwelijks meer konden bewegen. “Mijn vader zei: we weten dat dat waar is, want ze doen het nog steeds! Met mij deden ze het als kind op hoogtijdagen ook: eten, eten, je moest zoveel eten dat je er sprakeloos van werd. Mijn vader vond dat wij anderen geen verwijten moesten maken, dat we zelf verantwoordelijk waren - die houding heeft hij op mij overgedragen. Tot op deze dag voel ik: slavernij is vreselijk, maar de Afrikanen zelf hadden slavernij, en zij vingen de slaven voor de blanken - veel slavenhandelaren op het Westafrikaanse eiland Goree waren mulatten.”

De schuldgevoelens van de blanken hebben de zwarten niet veel verder geholpen, zegt hij. Hij zou gewild hebben dat ze hun zwarte vrienden wat meer aangemoedigd hadden tot het analyseren van hun samenleving, inplaats van hun excuses aan te reiken voor wat er fout ging. “Ze maakten van de zwarte man een eeuwig slachtoffer. Hij was nooit de man die een slechte regering aan het bewind bracht die geld stal of zich overgaf aan rassenrellen, zoals hier in het Caribisch gebied gebeurde. Geen zwarte schrijver heeft ooit over Guyana geschreven, weet je dat? Niemand heeft geschreven over de recente coup-poging in Trinidad. Zwarte auteurs schrijven niet over de rotzooi waarin dit gebied zich bevindt, ze hebben nog steeds de mond vol van de koloniale onderdrukking in het verleden.”

Zijn blanke critici beweren dat zij meer begaan zijn met India en Afrika dan hij. “Ik weet dat het niet waar is, “ zegt hij beslist, “ik weet dat zij het elk moment van zich af kunnen schudden, dat ze kunnen zeggen: ik ben klaar met Afrika, of met India, op een manier waarop ik er nooit klaar mee zal zijn, begrijp je?”

Zijn laatste boek Terug naar India (1990) ademt een grote rust - hij is een reiziger geworden die kijkt en luistert, de zenuwen van weleer lijken hem niet langer in de weg te zitten. “Ach, het zou me verbazen als men na dertig jaar niet anders wordt, “ zegt hij, “men nadert het einde van zijn leven, men wordt rustiger.”

Het uur van de muggen is aangebroken - in de verte luidt een gestage reggae-dreun de avond in. Naipaul is opgestaan en kijkt uit over het veld achter Kamla's huis. Een deel van dat land is van hem, hij zou er een huis kunnen bouwen.

“Denkt u daar wel eens over?”

“Ik weet het niet. Als men achtenvijftig is, maakt men geen plannen meer.” Hij staat naast me, klein, kwetsbaar ineens. Zijn stem klinkt droevig. Een aantal jaren geleden zijn zijn zuster Sati en zijn broer Shiva, allebei jonger dan hij, overleden. Dat heeft hem diep aangegrepen.

Iets in hem droomt ervan zich op zijn oude dag in deze regio te vestigen, maar altijd als hij op Trinidad is, raakt hij geirriteerd. Hij is hier incognito; de roem die hij in de wereld vergaarde, is op dit eilandje niet onopgemerkt gebleven. Als hij met zijn 24-jarige nichtje Roshni tochtjes maakt, zet hij altijd een zonnebril en zachtleren hoed op. Ik kan me voorstellen hoe hij door de wereld reist: onopvallend, discreet.

“Zullen we naar binnen gaan?”

Aan de keukentafel zie ik hem veranderen. Komt het door het plotse licht, de nabijheid van Kamla en Roshni, de rumpunch met nootmuskaat die hij voor iedereen heeft ingeschonken? De ernst valt in een slag van hem af, hij krijgt iets jongensachtigs en ondeugends.

“Hoor eens wat ik in Guyana meemaakte!” Hij werd te eten genodigd door een belangrijke Indiase politicus. Met theatrale gebaren beschrijft hij het interieur van diens huis: aardbeikleurige, groene en witte muren, plastic gordijnen die uit de open ramen flapten, een foto van zijn gastheer aan de muur, omkranst door flikkerende kerstlichtjes.

Toen kwam het eten. Geen drie schaaltjes - wat voldoende zou zijn geweest - maar een ontelbare hoeveelheid, een hele tafel vol! Met beide handen zet hij denkbeeldige schaaltjes op de tafel voor hem, dicht op elkaar. Zo'n overdaad, terwijl er in dat land aan alles gebrek is! Het hotelpersoneel zou hij na uitvoerig overleg een dollar per persoon geven, in een luchtpostenvelop - gewone enveloppen waren nergens te vinden. Negen enveloppen met een dollar, ze stonden in een rij om ze te ontvangen, hij voelde zich net een kerstmannetje!

“Die verhalen over Guyana deprimeren me, “ onderbreekt Kamla hem, “ik vind ze helemaal niet grappig.”

“Oh, that scene works on me, “ lacht hij, opgewonden, op dreef, “ik weet dat ik er iets mee ga doen!”

Terwijl ik naar hem kijk, de bezorgde toon waarmee hij eerder over Guyana sprak nog in mijn oor, tekent de scene zich steeds helderder af. Zo zag ik hem nog niet, zo scherp, zo bitter ook - zo ken ik hem eigenlijk alleen uit zijn boeken.

Dinsdag 15 januari leest V. S. Naipaul voor uit eigen werk in de Beurs van Berlage, Beursplein 1, Amsterdam. Na de pauze beantwoordt hij schriftelijk ingediende vragen. Aanvang 20.15 uur.

    • Lieve Joris