Er zijn nog enkele taboes

Nederland bevrijdt zich langzamerhand van de taboes die het zich in de jaren zestig had aangemeten. Met die taboes had een naoorlogse generatie geprobeerd alsnog het verzet te plegen waarin, in haar ogen, de voorgaande generatie tijdens de bezetting had gefaald. Dit is, heel in 't kort, de stelling die Herman Vuijsje in een paginalang artikel in Z van 29 december verdedigde. Hij ontwaart die taboes op drie gebieden: 1. Op etnisch gebied werd het racisme voorgesteld als een levensgevaarlijke bacil, die in ieder van ons steeds op de loer ligt. Iedere kritische uitspraak of handeling waarbij vreemdelingen betrokken waren, zelfs uit puur refereren aan het verschil, kon de aanzet vormen tot een racisme-epidemie met de ernstigste gevolgen.'' 2. Wat het gebruik van persoonsgegevens betreft, werd met grote vanzelfsprekendheid aangenomen dat de informaticatechnologie de mensen niet vrijer maakt, maar juist afhankelijker van Big Brother''. 3. Op het gebied van overheidsdwang openbaarde dit denken zich in het spookbeeld van de 'politiestaat', die voortdurend wenkte om de volgende hoek. Iedere maatregel van controle of dwang werd bij voorbaat gediskwalificeerd als het begin van een onherroepelijk afglijden naar de dictatuur''.

Zelfbenoemde inquisiteurs riepen bij iedere afwijking van de leer die in deze beginselen besloten lag, tot excommunicatie op, maar de laatste jaren is hun rijk afgekalfd, want de axioma's verliezen hun sacrosancte karakter. Ook dat toont Vuijsje in zijn artikel aan.

Toch - en nu ben ik aan het woord - blijven er nog resten die hun onaantastbaarheid vooralsnog bewaard hebben. Een ervan is de vrees voor antisemiet uitgemaakt te worden. Weliswaar is kritiek op de staat Israel grotendeels gedetaboeiseerd, maar met gevoeligheden van joden wordt over 't algemeen meer rekening gehouden dan met die van anderen.

Begrijpelijk, gezien de holocaust; maar ook een begrijpelijk taboe is een taboe. Overigens is er ook een meer sociologische verklaring voor de kracht van dit taboe: hierin verenigen zich links en rechts - terwijl de door Vuijsje gesignaleerde en nu aan het wankelen geraakte taboes voornamelijk taboes van links waren.

Een ander taboe - meer een politiek dan een sociaal taboe - betreft de ontwikkelingshulp. Nog altijd is die onaantastbaar - ook rechts tast haar niet principieel aan -, hoewel het steeds moeilijker te bewijzen valt dat zij, behalve in enkele gevallen, inderdaad de ontwikkeling van de betrokken volken bevordert.

Hier lijkt de overlevering omtrent de oorlog een minder belangrijke rol te spelen dan bij de andere taboes. Het is meer het schuldgevoel van de ex-kolonisator dat hier beslissend is of, minder specifiek, het schuldgevoel van de rijke jegens degenen 'aan de onderkant' van de samenleving. Maar het schuldgevoel is, waar het etnische minderheden en uitkeringstrekkers betreft, snel aan het afkalven (ook bij links). Zal het de ontwikkelingshulp blijven begunstigen?

Dit wat Nederland betreft. Ook de Verenigde Staten van Amerika hebben de jaren zestig beleefd, en daar zijn ze, als we tenminste Charles Bremner mogen geloven, die hierover een artikel in The Times van 19 december schreef, nog niet overgewaaid of verwerkt - althans niet aan de universiteiten.

Daar heerst blijkbaar veelal nog de geest van de jaren zestig. Volgens Bremner gelden op meer dan 130 universiteiten nog verboden op discussies die 'verbale kwelling' (verbal harassment) met zich brengen. Afhankelijk van de universiteit, wordt hier dit en daar dat onderwerp taboe dan wel deze of gene groep onaantastbaar verklaard.

Bremner geeft daar nogal krasse voorbeelden van - culminerend in dat van een voorstelling van Shakespeares Getemde feeks waarvan de tekst was gefatsoeneerd, teneinde de gevoelens van vrouwen niet te kwetsen. Ander voorbeeld: de president van een universiteit moest zijn verontschuldigingen maken omdat hij een lid van regering-Reagan als spreker had uitgenodigd. Zelfs het feit dat dit lid een vrouw was, was geen excuus. (Het Amerikaanse blad Newsweek geeft, in een artikel over hetzelfde verschijnsel, weer andere voorbeelden.)

Dat doet de vraag rijzen hoe het mogelijk is dat zo'n geest, zo niet: terreur, kan overleven terwijl het land zelf acht jaar lang een president heeft geduld - ja, toegejuicht - die een zwaar conservatief stempel op de samenleving heeft gedrukt. Misschien doet hier zich Jan Romeins wet van de remmende voorsprong gelden?

George Will, een conservatieve commentator, schrijft dit verschijnsel toe aan de collectieve schuld die de Amerikanen aan de oorlog in Vietnam hebben overgehouden en zelfs tien jaar conservatief bewind (acht jaar Reagan en twee jaar Bush) niet hebben kunnen overwinnen. Anderen geloven dat de universiteiten met hun verbaal progressivisme hun verantwoordelijkheid voor Amerika's geweldige sociale problemen proberen te ontlopen.

Nog een andere schrijver, David Rieff, zegt dat de Amerikanen sinds de dagen van Benjamin Franklin hebben geloofd de feiten te kunnen negeren en het geluk via wetgeving te kunnen bereiken, maar het heeft geen zin te doen, zoals Amerikanen zo vaak doen, alsof de wereld niet een tragisch oord is''.

Het besef dat de wereld een tragisch oord is, was in Nederland, toen het nog kerkelijk was, levend: het koninkrijk Gods is niet van deze wereld. Maar sinds zelfs kerken verkondigen dat het wel van deze wereld kan zijn, dus maakbaar is, is dat besef ook bij ons weg. Met als gevolg: surrogaatillusies, die, omdat - anders dan bij het koninkrijk Gods - hun onjuistheid door de geschiedenis aangetoond kan worden, onvermijdelijk op teleurstellingen uitlopen.

Ook die teleurstellingen kunnen tragisch zijn, maar die tragiek is incidenteel (in de filosofie zegt men, geloof ik, contingent), terwijl die andere tragiek existentieel is. Als het waar is dat we die tragiek kwijt zijn, dan waren degenen die ons in de illusies en de taboes van de jaren zestig hebben willen doen geloven - en die waren meestal zeer anti-Amerikaans - meer Amerikaans dan ze zelf beseften.

    • J. L. Heldring