Een vet kind is een gezond kind; gesprek met Gyorg Dalos

Gyorgy Dalos: De besnijdenis. Vert. Tinke Davids. Uitg. Van Gennep. Prijs fl. 34, 50

De Hongaarse schrijver Gyorgy Dalos is deze week een van de gasten van Story International in Rotterdam. Vorige maand verscheen zijn eerste roman, 'De Besnijdenis' in Hongarije en in Nederland. Het is het sterk ironisch getinte, ontroerende verhaal van een joodse halfwees, die met angst en beven zijn besnijdenis tegemoet ziet. Een gesprek over Hongarije in de jaren vijftig, over het niet aflatende antisemitisme en over de luxe van broodjes salami.

Robi Singer is een dik joods jongetje dat als half-wees in een tehuis in Boedapest woont. Hij is bijna dertien; tijd voor zijn bar-mitswa ..Maar hij en zijn vriendje Gabor Blum zijn nog niet besneden. Na hun geboorte kwam er elke keer iets tussen. Nu kan het niet langer worden uitgesteld. Zijn onderwijzers in het tehuis dringen aan op een snelle ingreep, want zonder besnijdenis geen bar-mitswa.

Elk weekend neemt Robi de tram naar huis, naar de bedompte woning van zijn moeder en grootmoeder. In vage gesprekken duikt zijn overleden vader op als een held, een geniale kunsthistoricus. En dat wil Robi later ook worden. Zijn moeder is een hysterica, met veel eetlust, angsten en fobieen. Alleen een slaapkuur brengt soms uitkomst. Maar met zijn grootmoeder is Robi beste maatjes. Een rustige, tactvolle vrouw, die praktische adviezen geeft. “Als iemand naar je afkomst vraagt, of naar je geloof, dan antwoord je rustig: Ik ben een Hongaars-joodse communist. Dan kun je nooit een buil vallen”.

Zorgvuldig weegt Robi de voor- en nadelen van de besnijdenis af. Met zijn moeder bezoekt hij regelmatig de diensten van de 'Broedergemeente van in Christus gelovende joden'. Dat christelijke geloof biedt toch ook uitkomst, denkt Robi, en misschien is bij deze club besnijdenis geen voorwaarde voor een lidmaatschap. Er zijn nog andere argumenten om onder die operatie uit te komen. Hij kijkt in de badkamer naar zijn piemel. “Als ze daar nu ook nog een stuk van afsnijden, dan kan ik me nergens meer laten zien”. Hij moet ook al door het leven met drie mismaakte, vergroeide vingers, het resultaat van een medische beroepsfout. Wie kan hem garanderen dat er straks niet weer zo'n medische beroepsfout wordt gemaakt.

De besnijdenis is de luchtig geschreven eerste roman van de Hongaarse schrijver Gyorgy Dalos. Het verhaal speelt zich af tegen het schrale decor van Hongarije in de jaren vijftig. Armoede is vanzelfsprekend, rijkdom laat zich meten aan het bezit van voedsel, vooral fruit. Het toppunt van weelde is een koelkast. Men berust in het leven zoals het zich aandient. Elke probleem wordt betrekkelijk dankzij een fikse dosis ironie. Als troost denkt Robi, wiens puberale verkenningen en ontdekkingen soms vertederend zijn opgeschreven, aan Israel, “waar de grenzen tussen mijn en dijn definitief zijn opgeheven, waar vreugde en rouw door allen worden gedeeld”, zo meent zijn onderwijzer.

Vuist

Gyorgy Dalos (1943), die de komende week te gast is op Story International in Rotterdam, woont zoals veel Hongaarse kunstenaars afwisselend in Boedapest en Wenen. Hij leest graag essays van Hannah Arendt en Hans Magnus Enzensberger, romans van Garcia Lorca en Pasternak, en 19de-eeuwse poezie, die hij vroeger uit zijn hoofd leerde. Zijn eigen boeken, geschreven in zowel Duits als Hongaars, verschenen in de samizdat. Buiten Hongarije publiceerde hij '1985', een Orwelliaanse satire over een conflict tussen drie werelddelen, compleet met een geloofs-, macht-, media- en partijenstrijd, met voedseltekorten, met erbarmelijke en lachwekkende wetgeving en een geheime politie, die bewapend met een 'keep smiling pistool' - het schiet als iemand niet lacht - het volk terroriseert. Dankzij het vertalen van nutteloze Russische of Oostduitse lectuur, kon Dalos jarenlang in zijn onderhoud voorzien.

In het begin van het gesprek is zijn linkerhand gebald als een vuist. Later komen er drie mismaakte, vergroeide vingers tevoorschijn. “Ja, 'De Besnijdenis' is een tamelijk autobiografisch verhaal. Ik heb er twee jaar aan gewerkt, en dat is lang. U vindt het droevig? Ach, er zijn redenen geweest om dit boek dertig jaar na dato te schrijven. Verdriet duidt niet op hopeloosheid.”

DIK

Dalos fluistert in volzinnen, alsof niemand ons op de gang mag horen. Tijdens het gesprek tuurt hij door het raam, naar de gevels buiten. Af en toe steekt hij een sigaret op en, kijkt ernstig en doordringend naar zijn gesprekspartner. Geen enkel antwoord kan het stellen zonder een historische context.

“Robi Singer is dik, want na de oorlog betekende een vet kind een gezond kind. Je at wel veel, maar niet gevarieerd. In de jaren vijftig kende elke Hongaar armoede. Na 1956 kregen we het beter. Want om verboden samenscholingen bij winkels te voorkomen liet het regime flinke voorraden voedsel aanrukken. Er werden sinaasappelen en Hollandse cacao geimporteerd. Om de gemoederen in bedwang te houden kreeg de bevolking later bij officiele demonstraties broodjes salami en thee. Dat was pas een echte delicatesse.

“De omstandigheden in Hongarije zijn nu ernstiger. Een heel klein deel van de bevolking is rijk, maar drie miljoen mensen leven onder de armoedegrens. Het zal veel tijd kosten om die situatie te verbeteren.”

Robi peinst veel, heel veel; over de dood van zijn vader bijvoorbeeld, over de soms gewenste dood van zijn preutse, meelijwekkende moeder, voor wie elke zinnelijke vrouw een hoer is, over meisjeslippen en over die arme Hongaren, die 'eigenlijk net zo veel hebben geleden als de joden' in de oorlog, want 'het is nauwelijks anderhalf jaar geleden dat het Westduitse voetbalelftal de Hongaren heeft verslagen'.

“Ja, u vindt veel ironie in de Hongaarse literatuur. Zonder ironie kan men niet overleven. Ik ben een melancholiek mens, een zeldzame combinatie van sentimentaliteit en ironie. Mijn boek gaat over het leven van alledag, dat zich los van politieke ontwikkelingen afspeelt. Als er in het milieu van Robi iets te vieren viel, dan werd er goed feestgevierd, onder wat voor regime dan ook. Bepaalde levensvormen houden onveranderlijk stand. Zo zijn de Hongaren nog steeds diezelfde lijfeigenen als vroeger, maar nu lijfeigenen met een kleurentelevisie”.

SPRINGPLANK

Het antisemitisme, een vanzelfsprekend fenomeen in De Besnijdenis, is de laatste tijd niet verergerd, zegt Dalos. “Het was er altijd al in die mate. Je kunt het nu alleen met eigen ogen zien. Bepaalde intellectuelen koketteren er mee in krantepublikaties. Omdat in de oppositie ook joodse leden van de Liga van Vrije Democraten zitting hebben, beweert men nu dat de joden de Hongaren willen assimileren en dat ze daartoe het parlement als springplank gebruiken. Ik zwijg daar niet over, ik treed er tegen op. En als de doelstellingen van de Vrije Democraten, een vrije markteconomie en geen censuur, inderdaad joods zijn, dan is het goed voor de Hongaren om zich te assimileren.

“Een antisemitische Hongaar heeft problemen met zijn Hongaarse identiteit. Eeuwenlang leefde hij onder vreemde heerschappij. Fransen kunnen bogen op hun revolutie, Britten op hun imperium, maar een Hongaar heeft nooit de mogelijkheid gehad om op basis van een succesrijk verleden een nationaal bewustzijn te ontwikkelen.

“Het stereotype, ontstaan om dat gebrek aan een identiteit enigszins te compenseren, lijdt aan grootheidswaan en minderwaardigheidsgevoelens. De joden in het vroegere getto bijvoorbeeld hadden weinig prestige, maar later, toen vijftig procent van de artsen joods bleek te zijn, en net zoveel joden in de advocatuur werkzaam waren, kwamen zij in hoger aanzien te staan. Reden voor de Hongaren om zich tegen de joden af te zetten, zoals ze zich ook tegen de Roemenen afzetten. Na 1945, toen er nog 160.000 van de 800.000 joden over waren, zijn er geen statistieken meer bijgehouden; joden staan niet langer bij de overheid genoteerd. Daarom kan je nu door stom toeval voor 'joods' worden aangezien”.

GEVANGENIS

Gyorgy Dalos heeft afstand genomen van de joodse orthodoxie, eens de kernvraag in Robi's leven. “Misschien heeft God me daarvoor gestrafd door me een periode van communistische ideologie te laten doormaken.” Als overtuigd communist werkte hij vijf jaar in de Sovjet-Unie. Terug in Hongarije, eind jaren zestig, kwam hij met de autoriteiten in conflict wegens het lidmaatschap van een Maoistische groepering en het publiceren van een boek. Hij werd gevangen genomen, kreeg huisarrest, ging in hongerstaking, werd dankzij de steun van mensen als de filosoof Gyorgy Lukasz weer in vrijheid gesteld en werd uit de partij gesmeten. De autoriteiten hielden hem daarna flink in de gaten.

“Ik heb mijn verleden geaccepteerd als een lange reis die me gevormd heeft. Een reis, waarin ik me jarenlang heb verzet tegen bepaalde karaktereigenschappen, mijn sentimentaliteit bijvoorbeeld, en mijn ontvankelijkheid voor het Oosteuropese pathos. 'De mensheid moest bevrijd worden' was het communistisch motto. Dat sprak me toen wel aan. Bij alles vroeg ik me ook af wat Marx of Lenin ervan zou vinden. Langzaam heb ik me van hen en hun wereldbeeld bevrijd. Steeds vaker ben ik me gaan afvragen wat ik zelf van iets vond. Nu is degene die praat en degene die schrijft een en dezelfde persoon geworden. Er is een rustige fase aangebroken, eindelijk ga ik me schrijver voelen.”

De Besnijdenis is vorige maand in Hongarije uitgekomen. Dat heeft nogal wat voeten in de aarde gehad, want de voormalige staatsuitgeverij kent vele produktieproblemen. Of zijn boek een 'bestseller' wordt is twijfelachtig. Wil een Hongaarse uitgeverij - er zijn er vierhonderd - een winstje boeken, dan moeten er 50.000 exemplaren worden verkocht. In de schappen van de boekwinkels overheersen porno en 'die neue Innerlichkeit': Boeddhisme, Baghwan, horoscopen. “Naar de verboden vruchten van weleer, de samizdat, is weinig vraag. Zelfs het anti-communisme heeft in Hongarije al afgedaan.”

Hoe het met Robi is afgelopen? Hij heeft zich uiteindelijk toch niet laten besnijden. Zijn onderwijzers en zijn grootmoeder hebben hem voor het blok gezet, vindt hij. Een echt complot, waarin ook zijn vriendje Gabor is betrokken. Nee, hij gelooft bij nader inzien toch maar Christus, reden om uit het joodse tehuis te vertrekken. Van zijn grootmoeder krijgt hij meteen een nieuwe winterjas cadeau. Een aankoop die feestelijk gevierd wordt met vleesbouillon, gepaneerde schnitzel, aardappels en een slagroomgebakje. En wat kan een Hongaars jongetje zich nog meer wensen.

Plechtigheid waarbij de dertienjarige joodse jongen als lid in de gemeente wordt opgenomen.

Story International Dinsdag begint in het Rotterdamse bibliotheektheater, direct achter station Blaak, de eerste afleving van Story International. De Pool Ryszard Kapuscinski, de Amerikaanse Marianne Wiggins en de Nederlanders Willem van Toorn en Marion Bloem zijn die avond de eersten van een lange reeks prozaschrijvers die op dit nieuwe festival verhalen en romanfragmenten zullen voorlezen.

Elke avond heeft een andere kleur. Woensdagavond vindt een speciale Europese avond plaats, met deelnemers uit Duitsland, Turkije, Engeland, en Nederland. Donderdag lezen onder anderen de Marokkaan Tahar Ben Jelloun en de Hongaar Gyorgy Dalos. En zondag, op de slotmiddag, zal er veel Belgische literatuur te beluisteren zijn, van Paul de Wispelaere, Jef Geeraerts, Hugo Raes en Monica van Paemel. De verhalen in het Nederlands en het Engels worden door de schrijvers zelf gelezen, bij de minder toegankelijke talen zullen ook vertalers aantreden.

Een belangrijke plaats in het festival zal worden ingeruimd voor de kinder- en jeugdliteratuur. Van dinsdag tot en met zaterdag zijn er 's middags programma's voor jongeren, waar Joke van Leeuwen, Anthony Horowitz en Eduard Uspenski zullen voorlezen.

Op vrijdagavond is er een speciale Annie M. G. Schmidt-avond. In aanwezigheid van de 79-jarige schrijfster zullen dan de resultaten worden gepresenteerd van een vertaalproject. Hoe klinken Jip en Janneke in het Chinees, het Turks, het Frans en het Hongaars? Ed Leeflang praat met Annie Schmidt en Hetty Blok zingt enkele van haar liedjes.

    • Marianne Vermeijden