Een paaltjeswoud tegen parachutisten

Het plantsoenachtige pleintje op de Apollolaan in Amsterdam is omsloten door drukke verkeerswegen en ongelijksoortige gebouwen, zoals het Hiltonhotel, twee kantoren en slecht onderhouden schoolgebouwtjes. Aldo van Eyck had er volgens Max van Rooy een prachtig plan voor maar niet iedereen vindt het geslaagd: “Een paar hardpratende Amsterdam-Zuidbewoners waren er ernstig tegen gekant.”

Herman Wals, dagelijks bestuurder van het Amsterdamse stadsdeel Zuid, verkeert in gewetensnood. Het onderwerp dat hem als lokaal politicus (D'66) uit zijn geestelijk evenwicht heeft gebracht, is een plein in het hart van het gebied dat hem ter beheersing is toegevallen. Het plein ligt op de Apollolaan tussen het Hiltonhotel en de kop van de Minervalaan en is niet meer dan een verlept plantsoen, een aangevreten grasmat met een paar strategisch geplaatste, maar zichtbaar treurige heggen dat een stelletje haveloze banken rugdekking moet bieden. Hier laten buurtbewoners de hond even rennen, maar niet te uitbundig want ze kunnen zo de drukke rijweg opschieten die als een lijst om het terrein ligt.

Dat het plein nu een extra verkommerde indruk maakt, ligt ook aan de actuele rol die het heeft gekregen: sluitstuk van de herinrichting, van de herprofilering, zoals we moeten zeggen, van de Apollolaan. Het meest opvallende resultaat van deze ingrijpende operatie - nooit zag men een straat letterlijk drastischer geherprofileerd - is een moordend gewas van zwarte paaltjes en reusachtige, vingerhoedachtige uitstulpingen dat uit de stoepen omhoog steekt en het elke vijandelijke valschermjager onmogelijk maakt om hier een zachte landing te maken. In dit Sperrgebiet ligt het arme, afgetakelde veld te wachten, deemoedig hunkerend naar een stralende face-lift.

De omringende gebouwen kijken met een gezicht dat past bij hun karakter, status en conditie op het uitgebluste terrein neer. Voorop het superieure Hiltonhotel met die anonieme, moderne trekken. Daartegenover, ter weerszijden van de Minervalaan, twee lage, identieke kantoorgebouwen waarin de firma Zwitserleven huist. Het zijn geen architectonische schoonheden, ongeveer twintig jaar oud, aangekleed betonskelet met grote ramen. Open bouwwerken zodat vanaf de straat is te zien hoe iedereen er tijdens het drukke verzekeringswerk bij Zwitserleven bij zit. Te aanschouwen is wat op de bureaus en op de hangmappenkasten staat, wat aan de lichte kantoorwandjes hangt, en aan de hoeveelheid kubieke meters valt af te lezen welke rangorde de werknemer ongeveer in het bedrijf heeft. Waarom zijn dit toch altijd zulke deprimerende inkijkjes, vooral in de winter als het vroeg donker wordt en het kantoorlicht al halverwege de middag wordt ontstoken? Het antwoord is natuurlijk: omdat ze de werksleur, de conformistische kantoorcultuur en de verveling zo naakt tentoonstellen.

Verprutst en verprotst

Op de hoek van de Apollolaan en de Rubensstraat is dat wel anders. Hier staat het strakke, platte woonhuis dat architect Hein Salomonson in 1960 voor Alexander Orlow ontwierp in de licht-lucht-ruimte traditie van het vooroorlogse Nieuwe Bouwen. Helaas heeft deze Corbusiaanse, half zwevende bungalow veel van zijn licht- en schoonheid verloren omdat dit zeldzame huis in verkeerde, in dit geval onverschillige handen is gevallen, namelijk die van drs. Loek en Miep Brons, respectievelijk kunsthandelaar en videotheek-koningin. De nieuwe bewoners hebben de prachtige ingebouwde terassen plompverloren dichtgemaakt, de karakteristieke pergola weggetimmerd en het huis dermate verprutst en verprotst dat het voornemen om het op de Monumentenlijst te plaatsen moest worden verlaten. Het is een ander huis geworden en beantwoordt niet meer aan het oorspronkelijke ontwerp van Salomonson dat in vele architectuurgidsen staat afgebeeld.

Steken we hier de Apollolaan over, dan komen we bij het Garden Hotel waarin het ogenschijnlijk deftige restaurant De Kersentuin is opgenomen. Het lage, lichte exterieur is noch te prijzen, noch te vervloeken. Het bestaat gewoonweg, maar dat geldt niet voor het interieur van De Kersentuin dat niet onderdoet voor de inrichting van een ideale ekster-voliere.

Aan de andere kant van het Hiltonhotel, op de hoek van de Willem Witsenstraat, staan de twee schoolgebouwen ontworpen door Herman Hertzberger. Alom bezongen juweeltjes, maar wat zien ze er beroerd uit. Net als zijn vooroorlogse voorgangers van het Nieuwe Bouwen heeft Hertzberger een talent om materialen te gebruiken die niet zijn bestand tegen het Hollandse weer- en windpatroon. Binnen de kortste keren lijken zijn transparante gebouwen te zijn geteisterd door brand, bluswater en vandalisme en voor een opknapbeurt ontbreekt, zeker als het om scholen gaat, natuurlijk altijd het geld. Doodzonde, sieraden moeten nu eenmaal af en toe worden opgepoetst anders gaat de glans eraf.

GEEN MEDEDOGEN

Steek nu de Apollolaan weer over en zie het jongste gebouw aan de rand van het plein, het kantoor dat de Rotterdamse architect Wim Quist onwierp voor de Morgan Bank. De norse, ijselijk grijsbetegelde gevel - want meer is het gebouw eigenlijk niet - toont geen enkel mededogen met het intrieste plantsoenplein en de gebouwen eromheen. De gevel mist elk zintuigelijk vermogen. Elke vorm van kijken of praten, van ruiken, voelen of luisteren is uitgesloten. Hoewel juist een hoekgebouw zich naar de verschillende kanten moet kunnen wenden en neigen, is deze verschijning van Quist niet tot bewegen in staat. Het bouwwerk is onaandoenlijk en gevoelloos en dat telt zwaar in een omgeving die aanvankelijk is ontworpen als 'monumentaal in aanleg en schilderachtig in detail', zoals H. P. Berlage zijn uitbreidingsplan Amsterdam Zuid in 1917 karakteriseerde. De scherpe, afgeschuinde, blinde hoek is weliswaar monumentaal - wat iets anders is dan monumentaal in aanleg - maar zo vijandig en vervaarlijk dat je bijna bewondering krijgt voor de Morgan-werknemers die elke dag de moed hebben om door die onvriendelijke muur te lopen om plaats te nemen achter kantoorramen, die klakkeloos mechanisch uit de gevels lijken gestanst. De lage toegangspartij steekt even onbeholpen in het bouwvolume als een kijkgaatje dat met een botte schaar in een kijkdoos is geknipt.

Het plein, het sluitstuk van de herprofilering, dat al deze eigenaardige, ongelijksoortige gebouwen aan elkaar moet binden zowel als uit elkaar houden, is dus nu in handen van stadsdeelraadbestuurder Herman Wals. Hij moet kiezen welke vorm hij aan het sluitstuk geeft: een conventionele, dat wil zeggen het oude plein wat opknappen, of een onconventionele. De laatste oplossing wordt hem geboden door Aldo van Eyck. Wat is het geval? Aldo van Eyck heeft in 1988 van de terecht bezorgde stichting Mooie Apollolaan en Omgeving (MAO), met hartelijke instemming van de toenmalige wethouder Rick ten Have (D'66) - in Amsterdam heerste nog het onbezorgde pre-deelraadse tijdperk - het verzoek gekregen om voor het Apolloplein een 'ontwerp van allure' te maken. Dat heeft deze veel te weinig geraadpleegde grootmeester gedaan.

OVALEN

Van Eyck ontwierp een plein waarvan het oppervlak is samengesteld uit twee verhoogde, lichtglooiende gazon-ovalen, die worden afgezet met een transparant scherm van gekleurde, dunne palen. Het is een creatie die op zichzelf staat, maar dan op de manier zoals het middenveld op het bord van een gezelschapsspel op zichzelf staat en tevens onderdeel van het totale speelveld. De stichting Apollo Mooi, de omringende bedrijven - Zwitserleven voorop - vinden het plein van Van Eyck mooi, elegant en doelmatig en willen zelfs meebetalen. Maar deelraadbestuurder Wals schrok zich een hoedje toen hij het plan van wethouder Ten Have in de schoot kreeg geworpen, want het bleek dat een paar hardpratende Amsterdam-Zuidbewoners er ernstig tegen waren gekant. Het plein van Aldo van Eyck zou geen rekening houden met het karakter van de buurt, indruisen tegen 'de geest van Berlage'. Wals schreef in Het Parool (3 januari): “Mag een lokaal bestuurder het ontwerp van een gerenommeerd architect afwijzen? Voor die vraag zie ik me gesteld, nu ik als deelraadswethouder problemen heb met een ontwerp van Aldo van Eyck voor een plein in de Apollolaan.”

Onzin-dilemma. Natuurlijk mag een bestuurder, zelfs een lokaal bestuurder, een ontwerp van een gerenommeerd architect afwijzen. Maar dan wel met degelijke, verstandige en vooral intelligente argumenten en niet op geleende, oppervlakkige gronden van een stel schreeuwlelijken. Dat is de grofste belediging die je een gerenommeerd architect kunt aandoen. Aan het eind van zijn verward gewetensonderzoek, schrijft Wals, nog steeds zonder inhoudelijke argumenten: “Om terug te komen op de vraag of het al dan niet mogen afwijzen van het ontwerp van een gerenommeerd architect - die beantwoord ik bevestigend. Als bewoners duidelijke en steekhoudende argumenten aandragen waarom een ontwerp niet past in hun woonomgeving, dan mag en dan moet dat. - We leggen, om het zwart-wit te stellen, geen reputatie maar een plein aan en het zijn de omwonenden die daar tot in lengte van dagen tegenaan moeten kijken.”

Maar Wals, dat moeten die omwonenden ook tegen het zwarte, dreigende paaltjeswoud, tegen het Hiltonhotel, tegen het verprutste huis van Hein Salomonson, tegen de vroegoude schooltjes van Hertzberger en tegen het onverteerbare, arrogante bankgebouw van Wim Quist, om binnen de kern van het beheersgebied te blijven. Stel je voor dat dit de lijn wordt. Stel je voor dat in Amsterdam bestuurders voor hun eigen gebrek aan kennis, inzicht, stijl en analyserend vermogen op het gebied van architectuur en stedebouw dekking gaan zoeken achter een haag van ongemotiveerd kabaal van een paar toevallig in de buurt wonende burgers die wars zijn van elk professioneel advies. Dat is onbehoorlijk bestuur.

    • Max van Rooy