Een mirakel aan de Amstel

Wat had ik toentertijd toch een hekel aan de actievoerders tegen het nieuwe Muziektheater, deze neopopulistische ('Geen opera! Sporthallen!') barbaren wiens hoogste culturele ideaal het was met Imca Marina naar bed te gaan om uiteindelijk met Annie Schilder op te staan.

Van Violetta Valery en Manon Lescaut hadden die ezels natuurlijk nog nooit gehoord.

Er waren echter ook mensen die op oirbare gronden tegen die nieuwe opera waren: diegenen die vreesden dat deze voornamelijk een reincarnatie van de oude opera zou zijn, de toenmalige bespeler van de Stadsschouwburg aan het Leidseplein. Dat was, een schaarse uitzondering daargelaten, meestal niks, provincietheater met pretenties, machteloos gekraai tussen bordpapieren coulissen, begeleid door de plaatselijke postharmonie en geregisseerd door een ideologische gefrustreerde Oost- hetzij Westduitser die als adolescent teveel Nietzsche had gelezen.

Het ergerlijkste was het koor. Wat dat ook moest verbeelden, de Janitscharen in Mozarts Entfuhrung of het Chinese proletariaat in Puccini's Turandot, het bleef onveranderlijk de Anjelierdwarsstraat met een exotische jurk aan, die galmend 'op hun loonstrookjes' stonden te wachten.

Deze typering stamt van dr. Wilhelm Schon, in de vroege jaren tachtig muziekcriticus van Ratszeburger Allgemeine Nachrichten. Hij was een operaverslaafde masochist die elke premiere weer naar Amsterdam afreisde om het gebodene vervolgens op virtuoze wijze af te branden. De Nederlandse Opera was, zo constateerde dr. Schon, de broedplaats bij uitstek van maanzieke nachtegalen en zingende klerenkasten, hersenloze zangeressen die beate werden bewonderd 'als een poedel op een hondententoonstelling' en talentloze zangers 'wiens vermogen om iets anders voor te stellen dan een uitsmijter van een Roosendaalse nachtclub' te verwaarlozen was, het een en ander voorgedragen in een acteerstijl 'die sinds 1830 niet meer veranderd is'.

Ik heb de oude baas goed gekend, zijn ontroostbare herenleed was het mijne en het heeft mij oprecht verdriet gedaan toen hij, na een rampzalige Don Pasquale, met een acute alcoholvergiftiging het vermaakscentrum Yab Yum werd uitgedragen, om nog dezelfde nacht te overlijden.

Schons laatste notitie stamt van februari 1982. Daarin sprak hij zijn bange verwachtingen uit over de toekomst van dat geprojecteerde Muziektheater. Het werd andermaal niks, zei hij. 'Er zijn immers geen tekenen die erop wijzen dat wat nu middelmatig is straks opwindend zal zijn.'

Vrede zijn gebeent! Niettemin, in dit opzicht blijkt de oude baas het bij het verkeerde eind te hebben gehad. Net zoals al die andere somberaars die voorspelden dat het nieuwe Muziektheater voornamelijk conservatieve blufkunst zou gaan vertonen. Postuum gezien blijkt Ad 's-Gravesande, toen directeur van het Holland Festival, ongeveer de enige te zijn geweest die iets van visie demonstreerde. Zijn advies had de charme van de eenvoud: betere dirigenten, betere regisseurs, een beter orkest en een beter koor, benevens een open oog voor het talent dat zich inmiddels elders in de wereld heeft bewezen. 'Want ik denk, ' zei 's-Gravesande, 'dat dat aanvaardbare peil toch vooral uit het buitenland moet worden gehaald.'

Hetgeen geschiedde. Pierre Audi (Londen) werd artistiek leider. Hartmut Haenchen (Dresden) ontfermde zich over het orkest. Winfried Maczewski (Wuppertal) hermodelleerde het koor, terwijl Truze Lodder (Hilversum) onderwijl het rekenwerk verrichtte, een mevrouw waarover de grachtengordel nogal wat lacherig deed omdat zij van een square club als de AVRO afkomstig was, maar die inmiddels heeft aangetoond dat het mogelijk is een operahuis te beheren zonder de obscene honoraria die de strottehoofden uit het Paverotti-circuit plegen te bedingen.

Wij moeten thans, lijkt mij, ronduit constateren dat er in feite sprake is van een Mirakel aan de Amstel. Bezie al die andere operahuizen, waar ook ter wereld. Zij zijn even saai als steenrijk, de programmering is risicoloos, de enscenering is traditioneel en de ware operaliefhebber kan hen gevoegelijk links laten liggen. Zij zijn ook niet voor de ware muziekliefhebbers bestemd. Covent Garden is er voor de Tories, de Met is er voor de maffia, de Wiener Staatsoper is er voor de Amerikaanse touristen en de Parijse Opera is er voor het zestiende arrondissement.

Hebt u die New Yorkse Ballo in Maskers gezien?

Of die Londense Fledermaus?

Dan weet u precies wat ik bedoel.

Vergelijk daarmee hetgene dat de laatste maanden door de Nederlandse Opera op de planken is gebracht. Het is een gedurfd en gevarieerd repertoire van louter modelvoorstellingen (Boris Godounov, Cosi fan Tutte, Parsifal, l'Ange de Feu, Il ritorno d'Ulysse), een repertoire dat - ik constateer het met patriottistische verbazing - moeiteloos elke buitenlandse concurrentie overvleugelt. Blijkens het feit dat elke premiere tegenwoordig mudvol internationale muziekcritici zit die inmiddels hebben ontdekt dat Nederland zich in een snel tempo tot de belangrijkste muziekdramatische Buhne van Europa aan het ontwikkelen is. Met interessante regisseurs, jonge, nog niet kapotgezongen solisten, een orkest dat gonst als een Stradivarius en een koor... Wat is er inmiddels met dat koor gebeurd? Van de boerenklomperigheid is niets meer over en het lijkt waarachtig wel of de kunstambtenaren van vroeger inmiddels plezier in hun werk hebben gekregen.

Ik noteer deze overwegingen na het bijwonen van de generale repetitie van Arnold Schonbergs miniopera Die Gluckliche Hand. Nog nooit in Nederland vertoond. Hij gaat zaterdag in premiere. Het Residentieorkest zit in de bak. Pierre Audi tekende voor de regie. Jannis Kounellis ontwierp het scenische concept. Laat het u niet ontgaan. Je weet niet wat je hoort en je gelooft niet wat je ziet.

    • Martin van Amerongen