De slachtoffers van een goochelaar; Twee studies over Charles Dickens

Peter Ackroyd: Dickens. Uitg. Sinclair-Stevenson, 1195 blz. Prijs fl. 77, 60

Claire Tomalin: The Invisible Woman. The Story of Nelly Ternan and Charles Dickens. Uitg. Viking, 317 blz. Prijs fl. 67, 10

Met iedere nieuwe biografie die van Charles Dickens verschijnt, wordt het ideaalbeeld van de schrijver bijgesteld. De beminnelijke negentiende-eeuwse volksschrijver liet zijn vrouw in de steek voor een jonge actrice en moest met de hulp van vrienden zijn relatie uit de openbaarheid houden. Bas Heijne las twee recente Dickens-studies: “Voor Ackroyd blijft Dickens de belichaming van de Engelse volksziel, Tomalin daarentegen lijkt de grote schrijver eerder te zien als een slachtoffer van zijn tijd.”

In 1897 kon Kate Perugini, een van Dickens' tien kinderen, het niet langer aanzien. Aan Bernard Shaw schreef ze: “Wanneer u het publiek aan het verstand zou kunnen brengen dat mijn vader geen montere, schertsende heer was die door het leven ging met een plumpudding en een kom punch, zoudt u me een groot genoegen doen.” Het waren de jaren waarin het Engelse lezerspubliek zich met Dickens begon te vereenzelvigen en het beeld van de schrijver dat hartstochtelijk gekoesterd werd, bestond uit een beminnelijke heilige, een mengeling van Mr. Pickwick en de kerstman.

Dat het karakter van Dickens ook schaduwzijden had gehad, wilde toen niemand meer horen, want wie iets ten nadele van Dickens zei, zei iets ten nadele van Engeland. Van geen enkele andere Engelse schrijver, met uitzondering van Shakespeare, had het werk zich zo diep in het Engelse bewustzijn genesteld; en zoals Dickens in zijn romans, van The Pickwick Papers tot het onvoltooide The Mystery of Edwin Drood, de Victoriaanse samenleving naar zijn eigen beeld had geschapen, zo schiepen zijn latere lezers, geholpen door een lange reeks biografen, hun eigen beeld van Dickens.

Naarmate de negentiende eeuw verder verwijderd raakte, hadden Dickens' biografen minder schroom om de waarheid onder ogen te zien. Het probleem was echter dat er nog maar zo weinig substantieels te achterhalen viel. Dickens vernietigde tijdens zijn leven vrijwel ieder jaar een grote stapel persoonlijke papieren en na zijn dood had zijn schoonzuster Georgina Hogarth, geassisteerd door talloze medestanders, er een levenstaak van gemaakt het beeld van de Victoriaanse heilige van smetten vrij te houden en als het even kon zelfs hier en daar nog een beetje op te poetsen. Daardoor komt het dat een hedendaagse biograaf die zich aan het leven van Dickens waagt, zich ondanks de berg feitenmateriaal in essentiele kwesties vooral op zijn instinct moet verlaten; wat tot een aantal eigenaardige interpretaties heeft geleid.

Tegengesteld

Voor Victorianen, en ook voor Dickens zelf, was hypocrisie eerder een soort sociale vaardigheid dan een slechte eigenschap; in veel gevallen werd het niet meer dan vanzelfsprekend beschouwd sommige feiten van je leven te verbranden in je achtertuin en andere domweg te verzinnen.

Ook in de twee meest recente Dickens-studies, Peter Ackroyds immense biografie Dickens en Claire Tomalins The Invisible Woman, proberen de schrijvers Dickens te bevrijden uit zijn Victoriaanse cocon, maar ze doen dat ieder op een andere, bijna tegengestelde manier. Voor Ackroyd blijft Dickens de belichaming van de Engelse volksziel, een man die alle negentiende-eeuwse tegenstrijdigheden in zich verenigde, zowel wat zijn ernst betreft als zijn sentimentaliteit, zijn enthousiasme als zijn plichtsgevoel, zijn optimisme als zijn twijfel, in zijn geloof in de arbeid en in zijn instinct voor theater, in zijn gewelddadigheid en in zijn energie. Ackroyd verandert niet alleen het traditionele beeld van Dickens, maar ook dat van de Victoriaanse tijd. En zoals Dickens zich verbonden voelde met zijn eigen personages, zo bestaat er in Ackroyds visie een bijna mystiek verbond tussen Dickens en de tijd waarin hij leefde en schreef: “Er is iets dat zich onttrekt aan het normale bereik van de chronologie; en dat is te vinden in de romans van Dickens.”

Tomalin daarentegen lijkt de grote schrijver eerder te zien als een slachtoffer van zijn tijd. Anders dan bij Ackroyd richt haar aandacht zich nauwelijks op het werk; haar Dickens is een man die het grootste gedeelte van zijn leven heen en weer wordt getrokken tussen conventie en instinct. In haar boek laat ze zien dat iemand die op een dergelijke manier innerlijk is verdeeld, op zijn beurt ook weer slachtoffers moet maken: in het geval van de Victoriaan Dickens zijn dat onherroepelijk de vrouwen in zijn leven, zijn echtgenote Catherine en zijn grote late liefde, de actrice Ellen Ternan.

Van de twee biografen is Ackroyd zonder twijfel het meest ambitieus. Hij zet gevaarlijk hoog in: de ziel van Dickens bloot leggen, en daarmee tevens de ziel van een tijdperk, vereist per definitie een monumentale studie. Om dat doel te bereiken laat hij dan ook geen middel onbeproefd; Dickens is een post-moderne mengeling van traditionele biografische vertelkunst ( “Maar nog voor er een paar maanden verstreken waren zou Dickens' leven veranderen op een manier die hij zich met geen mogelijkheid, zelfs niet in de fantasieen van zijn kindertijd, had kunnen voorstellen” ), tekstanalyse, psychoanalyse, poetische sfeerschetsen en zelfs fictie (waarin Ackroyd Dickens zijn personages laat ontmoeten en de andere schrijvers waar de biograaf zich mee bezig heeft gehouden - Wilde, T. S. Eliot, Chatterton - en uiteindelijk hemzelf). Bovendien heeft Ackroyd niet alleen alles van Dickens grondig bestudeerd, maar ook alles over Dickens. Het resultaat is een boek van bijna twaalfhonderd bladzijden dat een enorme inspanning van de lezer verlangt; een inspanning die jammer genoeg nauwelijks vruchten afwerpt, want in laatste instantie is Dickens eerder een megalomane dan een monumentale biografie.

Het probleem zit hem in de vorm. Dickens vertoont dezelfde eigenaardige tweeslachtigheid die de meeste van Ackroyds romans kenmerkt: een negentiende-eeuwse zelfgenoegzaamheid, gekoppeld aan een moderne fragmentatiedrift. Ackroyd is zich bewust van de beperkingen van het biografische genre en van de kunstmatigheid van een verteld leven: de meeste biografen vertellen meer over zichzelf dan over hun onderwerp en uiteindelijk is iedere biografie een roman.

Vestzak

De traditionele elementen waaruit de doorsnee-biografie is opgetrokken, voldoen niet meer om de doden tot leven te wekken. Met die wetenschap plaatst Ackroyd onbekommerd een fragmentatiebom in Dickens' vestzak. De grootste Engelse schrijver van de negentiende eeuw spat uiteen in duizenden fragmenten, die door Ackroyd stuk voor stuk, pagina na pagina, onder de loep worden gelegd, in de hoop het detail te ontdekken dat alles duidelijk maakt: Dickens fascinatie met de zee, zijn obsessie met zijn gestorven schoonzusje Mary Hogarth, zijn sentimentele verlangen naar het jongetje dat hij ooit was, zijn hang naar het toneel en toneelspelen, zijn honger naar roem en macht, macht over zijn personages, macht over de mensen in zijn omgeving. Enzovoort, enzovoort.

Veel van Ackroyds inzichten in Dickens' psyche en de verbanden die hij blootlegt zijn inderdaad waardevol voor iemand die iets van Dickens wil begrijpen. Hier en daar vangt de lezer een glimp op van een man die na traumatische ervaringen in zijn kindertijd de rest van zijn leven besteedde aan het naar zijn hand zetten van de werkelijkheid.

Dickens wilde domineren over de realiteit en dus maakte hij van iedere werkelijkheid zijn werkelijkheid. Daarbij was vanzelfsprekend geen plaats meer voor andere visies; Dickens was een van die schrijvers die altijd gelijk hebben, gelijk moeten hebben, zowel in hun werk als daarbuiten. Dat verklaart waarom hij zichzelf als een realist beschouwde, terwijl je maar een willekeurige regel uit zijn werk hoeft te lezen om te zien dat Dickens alles is, maar geen realist. (Dat neemt niet weg dat veel van zijn tijdgenoten er net zo over dachten: voor een hedendaagse lezer zijn de passages uit Nicholas Nickleby over de verschrikkelijke kostschool Dotheboys Hall veel te kluchtig om ze als sociale kritiek serieus te nemen, maar Victoriaanse lezers beschouwden ze als een felle aanklacht.) Daarom ook kon hij het verlaten van zijn Catherine rechtvaardigen door van haar in zijn hoofd een vraatzuchtig, harteloos kreng te maken - terwijl alle bekende feiten met dat beeld in tegenspraak zijn.

Het manipuleren van de directe werkelijkheid tot fictie lijkt een van de rode draden in Dickens leven; niet voor niets werd hij zo gefascineerd door het theater en was hij zelf een verwoed amateurspeler en goochelaar. Ackroyd suggereert dat deze allesoverheersende drang, die hem tot een groot schrijver maakte, zijn ondergang als mens betekende. Nadat Dickens al zijn ontzagwekkende energie in zijn werk had gestopt, bleef hij zelf met lege handen achter. Dickens werkte zichzelf letterlijk dood; met ieder nieuw boek werd de leegte in hem groter. Met iedere voltooide maandelijkse aflevering stierf er een stukje van hem.

Paradox

Het zijn dit soort inzichten die het lezen van Dickens de moeite waard maken. Helaas probeert de biograaf van alle fragmenten uiteindelijk ook weer een sluitend geheel te maken, een definitief portret van Charles Dickens, schrijver, volgens Peter Ackroyd, biograaf. Dat lukt niet. Paradoxaal genoeg ontleent Ackroyds reusachtige boek zijn belang niet aan zijn geheel, maar aan details, aan observaties in de marge van zijn verhaal. Want Ackroyd is een scherpzinnig criticus, maar hij is geen romancier in de traditionele zin van het woord: nergens lukt het hem van Dickens een overtuigend personage te maken. De grootste zwakte van het boek is dat hij het hier en daar toch probeert met pretentieuze sfeerschetsen en een hoop holle frasen.

Een ander, vrijwel onoverkomelijk minpunt, is de lengte van Dickens; de biografische afstand die Ackroyd doorgaans tot zijn onderwerp in acht neemt, brengt een beschouwende toon met zich mee die alleen in kleine doses te genieten is ( “Maar daarmee lopen we vooruit op ons verhaal... “ En: “We moeten afwachten om te zien hoe waar deze bewering is.” ) De lezer die Dickens achter elkaar leest, krijgt het gevoel een lezing van dertig uur bij te wonen door een spreker die zichzelf te graag hoort praten. Waar het hem aan overtuigingskracht ontbreekt, probeert hij zijn doel te bereiken door zichzelf eindeloos te herhalen.

The Invisible Woman van Claire Tomalin is veel bescheidener van opzet, maar als biografische studie een kleine triomf. Over de relatie tussen Dickens en Ellen Ternan is heel wat geschreven en gespeculeerd, maar Tomalin is de eerste die het verhaal vanuit de optiek van Ternan probeert te vertellen. Die benadering heeft twee grote voordelen.

Het eerste is natuurlijk dat nu de andere, vrouwelijke kant van het verhaal eens wordt belicht. Ellen Ternan kwam uit een familie van toneelspelers, en zowel haar moeder als haar twee zusters werden in 1857 door Dickens ingehuurd om te acteren in de amateurproduktie van The Frozen Deep, een melodrama van Wilkie Collins, waarin Dickens zelf een van de hoofdrollen voor zijn rekening nam. Dickens, op dat moment verreweg de beroemdste schrijver van Engeland, raakte in de ban van Ellen en begon zich hartstochtelijk met de carriere van de Ternans te bemoeien.

Zijn passie voor de jonge actrice betekende de doodklap voor zijn ongelukkige huwelijk: Dickens verliet zijn vrouw en nam zijn kinderen mee. Het was een schandaal dat hij overleefde, waarschijnlijk omdat er in de pers geen sprake was van overspel en een maitresse. Maar Tomalin weet overtuigend aan te tonen dat er wel degelijk een langdurige relatie met Ellen is geweest, die duurde tot aan Dickens dood in 1870.

Vlees en bloed

Over de aard van die relatie wordt door Dickens-deskundigen tot op heden hevig getwist (Seks? Dickens? Nooit!), maar het andere grote voordeel van Tomalins optiek - dat wil zeggen, het beschrijven van de manier waarop Dickens in het leven van anderen heeft ingegrepen, in plaats van andersom - is dat Dickens in een sociale context gemakkelijk een man van vlees en bloed wordt, in plaats van een getourmenteerde eunuch, zoals bij Ackroyd. Deze laatste geeft toe ook niets zeker te weten, maar hij gaat ervan uit dat Dickens hartstocht voor Nelly Ternan van het begin tot het einde platonisch was; waar Dickens met zijn seksuele driften naartoe ging, nadat hij bij zijn vrouw weg was, vergeet hij te vermelden. Tomalin is realistischer en schetst het milieu van Dickens' vrienden en kennissen, waarin het hebben van een maitresse (of meer) geenszins ongebruikelijk was, en zelfs sociaal aanvaardbaar, zolang je het maar niet in de krant zette. Zij geeft toe dat er geen bewijzen zijn voor de geboorte van een of meer kinderen, maar ze heeft wel overtuigende aanwijzingen (de hierboven geciteerde dwarse dochter van Dickens was ervan overtuigd dat er een kind was).

De ware tragiek van The Invisible Woman schuilt niet in de kwestie seks of geen seks, maar in de onmogelijkheid van een volwaardige relatie tussen Charles Dickens en Nelly Ternan. Vanaf het moment dat Nelly toegaf aan de avances van Dickens, moest zij voor de buitenwereld onzichtbaar worden. Haar toneelcarriere en haar sociale leven werden terstond opgegeven en haar dagen bracht ze door met het wachten op de korte bezoekjes van haar oude vriend. Haar familie en de intieme vrienden van Dickens spanden samen om het bestaan van de relatie geheim te houden: Nelly bestond alleen nog maar voor Dickens.

Bijna nog fascinerender in The Invisible Woman is de lange epiloog van het verhaal. Na de dood van Dickens herschiep Nelly zichzelf in een keurige mevrouw met een keurige echtgenoot en een keurig huis en keurige kinderen. En ook haar verleden werd keurig: over Dickens werd door haar en haar zusters (aan wier rijkgeschakeerde levens Tomalin eveneens uitgebreide beschrijvingen wijdt) met geen woord meer gerept. Na haar dood in 1914 maakte haar zoon Geoffrey, een toonbeeld van Edwardiaanse respectabiliteit, uit haar nagelaten papieren op dat de levensloop van zijn moeder niet geheel onbesproken was geweest. Omstreeks 1920 bezocht hij een nog levende zoon van Dickens en kreeg hij zijn bange vermoedens bevestigd. De rest van zijn leven stond hij geen boek van Dickens meer in zijn huis toe.