De muze van het kreetjesklavier; Joke van Leeuwen voor volwassenen

Joke van Leeuwen: De tjilpmachine. Uitg. Querido, 78 blz. Prijs fl. 24, 90

Het oor is het zintuig dat in De tjilpmachine van Joke van Leeuwen het meest wordt aangesproken. Niet alleen in de novelle zelf wordt veel geluisterd en gezwegen, ook op ons, lezers, wordt een beroep gedaan. Op het door haarzelf geillustreerde omslag is een oorschelp afgebeeld, met een fikse gehooropening, die eruit ziet als een soort waarschuwing.

Om het weinig mededeelzame verhaal goed te kunnen begrijpen, moet men kunnen lezen tussen de regels en tussen de nogal diverse fragmenten waaruit het bestaat. “De eerste zin sla ik over”, zo luidt de eerste, lichtelijk provocerende zin. Dat de novelle besloten wordt met de woorden 'onzinnigste zinnen' zal ook wel geen toeval zijn.

De tjilpmachine is een karig verhaal, dat met sobere middelen verteld wordt. De verhaalfiguren houden hun gedachten, aangenomen dat ze die hebben, voor zichzelf, zodat er tussen de korte zinnen veel stiltes vallen. Opvallend is het dat de mensen in dit verhaal geen gelaatstrekken krijgen. Des te opvallender waar in een plasje koffie wel een gezicht wordt herkend en een stropdas in staat wordt geacht om te schreeuwen. Terwijl tepels eruit kunnen zien als ogen die een beetje scheel kijken, komen we van de hoofdpersoon niet meer aan de weet dan dat zij, als kind althans, wijd uitstaande oren had.

Gelukkig mogen we in dit verhaal ook wel echt iets zien, want Joke van Leeuwen, die tot voor kort alleen kinderboeken schreef en tekende, verluchtte het hier en daar met een stemmige kleine tekening, een plattegrondje, een grafische aanwijzing en in een enkel geval met een bestaand schilderij, van Paul Klee. Met dit eerste boek voor volwassenen blijft zij, in veel opzichten, trouw aan het kind in de mens. Haar eenzame, jonge vrouw die naarstig op zoek is naar contact, heeft een kinderlijk en ontvankelijk gemoed. Ze houdt niet van hospita's die vinden dat 'wuh voorzichtig moeten zijn met de tussendeur'. En ze stopt haar vingers in haar oren als een man met 'te veel pak aan zijn lijf' haar ervan probeert te overtuigen dat ze 'seelsussistent' moet worden om verder te komen in de maatschappij.

Tussen Zoe, zoals ze wat gewrocht heet, en de wereld bevindt zich meestal een raam. Als die bescherming wegvalt, hult ze zich het liefst in stilzwijgen. Ze zou wel mee willen doen aan een demonstratie, maar alleen onder bepaalde voorwaarden. “Zoe keek op al die kruinen, zag hoe saamhorig al die mensen elkaar voor de voeten liepen. Ze had zich wel tussen hen willen verstoppen. Zich willen mengen. Maar dan zou niemand haar iets mogen vragen. “

Zij voelt zich aangetrokken tot spelende kinderen en zieke mensen, tot een bijna blinde oude dame en tot een jongeman die zich bezig houdt met geluidsexperimenten. Haar sympathie ligt bij mensen die ongeveer even kwetsbaar zijn als zijzelf en niets kunnen worden, omdat ze eenvoudigweg niets zijn.

Het is een intrigerend probleem dat Joke van Leeuwen hier aan de orde stelt. Een probleem dat je actueel kunt noemen in een tijdperk waarin veel mensen bij gebleken onvruchtbaarheid hun toevlucht nemen tot adoptie, donorzaad of draagmoeder. Een tijdperk dus ook waarin kinderen het moeten stellen met een of twee zogeheten niet-biologische ouders, en dat op latere leeftijd soms moeten bekopen met een flinke identiteitscrisis. Van Leeuwen heeft in ondramatische bewoordingen geprobeerd het drama weer te geven dat een adoptie kan inhouden voor het geadopteerde kind en voor de nieuwe ouders, maar haar onderneming is niet in alle opzichten geslaagd.

Zo besteedde ze veel aandacht en zorg aan de ingenieuze constructie van het verhaal, dat de spitsvondigheid van de lezers behoorlijk op de proef stelt. Ik vermoed dat ze haar nieuwe publiek toch een beetje heeft overschat. Als de puzzel is opgelost, blijft er bovendien een wat stakerige geschiedenis over, met net iets te veel verwikkelingen die in een voorlopig stadium blijven steken. Het zou ook kunnen dat het verhaal gewoon wat aan de korte kant is, en daardoor iets meer suggereert dan kan worden waargemaakt.

Een van de aardige kanten van De tjilpmachine is, dat Van Leeuwen haar heldin niet rond laat wroeten in haar wortels, maar haar 'de eerste zin' laat overslaan. Dat betekent dat Zoe haar voorgeschiedenis af mag doen met treurige begrippen als 'toegangsnummer', 'geboortebewijs' en 'afstandsverklaring' en zich alleen maar hoeft te bekreunen om de vraag hoe zij nu verder moet leven.

Als ik het goed begrijp, dan zijn er voor haar twee manieren om zich te verlossen van zichzelf. Beide manieren zijn in verband te brengen met de oorschelp op het omslag. Zij kan zich ontdoen van zichzelf door definitief in haar schulp te kruipen, door de anonieme muze te worden van een geluidskunstenaar. Deze jongeman weet haar verschillende uitingen te ontlokken. Met zijn 'keyboard sampler' legt hij zinnen, woorden en klanken van haar vast die hij zich vervolgens toeeigent door ze te vervormen en zo, naar eigen zeggen, anoniem te maken. Zoe, die wars is van moeilijke en dikdoenerige woorden, doopt het apparaat om tot 'kreetjesklavier' en 'tjilpmachine'.

Een andere mogelijkheid is om haar schulp juist te verlaten, uit haar schelp te komen zoals onze Zuiderburen het uitdrukken. Aan een oude vrouw leest Zoe een verhaal in afleveringen voor waarin ze haar leven beschrijft. Zo gebruikt ze haar eigen talent, haar eigen tjilpmachine zogezegd. De geschiedenis bevalt de vrouw overigens steeds minder omdat ze het gevoel heeft dat er stukken worden overgeslagen. Zoe's levensgeschiedenis vormt een zelfstandig geheel binnen de novelle, en heeft - het zal niemand verbazen - geen eerste zin.

Joke van Leeuwen laat in het ongewisse of haar heldin de veilige schulp zal verkiezen, of de openbare en dus gevaarlijke schelp van het schrijverschap. Maar misschien is er ook nog een gulden middenweg, die ik over het hoofd heb gezien.