De braafsten zijn de besten; Zestiende-eeuwse denkbeelden over kunst

Giorgio Vasari, De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten. Van Cimabue tot Giorgone. Gekozen en ingeleid door Henk van Veen. Vertaald door Anthonie Kee; 312 blz. Uitg. Contact. Gebonden fl. 55, -; Paperback fl. 36, 90.

Ton J. Broos, Tussen zwart en ultramarijn. De levens van schilders beschreven door Jacob Campo Weyerman (1677-1747). Uitg. Rodopi, 384 blz. Prijs fl. 100, -.

De kunstenaarslevens die de zestiende-eeuwer Giorgio Vasari beschreef blonken allemaal uit door oppassendheid en braafheid: een goed kunstenaar moest ook een goed mens zijn. In de zeventiende eeuw hielden de kunstenaars op voorbeeldig te zijn. Jacob Campo Weyerman schreef over losbollen en dronkelappen.

Giorgio Vasari (1511-1574) publiceerde Le vite de piu eccellenti pittori, scultori e architettori in 1550. Het boek bevatte 175 levensbeschrijvingen van kunstenaars. Een tweede editie verscheen achttien jaar later en daarin stonden 250 biografieen. Vasari is door velen nagevolgd. Karel van Mander vertaalde voor zijn Schildersboek van 1604 een aantal hoofdstukken, maar tot voor kort is er nooit meer een poging tot vertaling gedaan. Onlangs verscheen een selectie uit Vasari's Vite in het Nederlands en deze zal nog door een tweede deel worden gevolgd. Samen zullen ze een goed beeld kunnen geven van de invloedrijke kunstheoretische denkbeelden van Vasari en zijn tijd.

Vasari's rol was die van een historicus met een boodschap. Hij verdiepte zich in de bronnen, sprak met wie nog maar iets over dode kunstenaars te vertellen had, bestudeerde de kunstwerken en putte uit zijn eigen herinnering. Elk van de biografieen bevat dezelfde elementen: na een korte inleiding volgen de biografische gegevens, waarin de opleiding, de successen, de deugden en in enkele gevallen de ondeugden van de kunstenaar worden genoemd. Daarna behandelt de auteur de opdrachtgevers, hij beschrijft een aantal werken, de oude dag van de kunstenaar, zijn sterven en zijn grafschrift. Afgeronde hoofdstukken, die alle getuigen van Vasari's grote cultuuroptimisme, van zijn onvoorwaardelijk geloof in de vooruitgang der kunsten.

De kunst van de Oudheid is en blijft zijn maatstaf, maar die is vrijwel verloren gegaan; uit de brokstukken die in heel Italie weer aan de oppervlakte komen en uit tekstfragmenten en een enkel tractaat zoals dat van Vitruvius moet men in Vasari's tijd die kunst moeizaam reconstrueren. Na de val van het Romeinse Rijk trad het algemeen verval der kunsten in. Wanneer Vasari maar de kans krijgt gaat hij te keer tegen de barbaarse kunst uit de middeleeuwen, dat wil zeggen de Byzantijnse, romaanse en gotische kunst. In het beste geval was die in zijn ogen nog verdienstelijk, maar verder blonk zij uit in belachelijke onbeholpenheid. Maar dan, in de dertiende eeuw, verschijnt de eerste schilder die Vasari tot 'de modernen' rekent: Cimabue. Hij bracht licht in het middeleeuws gestuntel. En na Cimabue kwam Arnolfo di Lapo en na Arnolfo di Lapo kwam Giotto en na Giotto trad Lorenzetti aan en na hem Simone Martini enzovoort, enzovoort en allemaal droegen ze het hunne bij aan de vooruitgang der kunsten. Vasari onderscheidt daarin drie hoofdperiodes, waarvan de derde gemarkeerd wordt door Leonardo da Vinci, Rafael en Michelangelo. Met Michelangelo is het hoogtepunt van de kunst bereikt. Hier is zelfs de klassieke oudheid overtroffen.

Wie in vooruitgang gelooft moet over een maatstaf beschikken. Vasari meet de vooruitgang in de kunst af aan een aantal criteria. In de eerste periode waren dat de beheersing van het perspectief, de anatomie en de weergave van kleuren. Latere kunstenaars werden steeds sterker in het naleven van de regels der klassieke bouwkunst, in de ordening der samenstellende delen, en in ontwerp en inventie (samen de vader en moeder van alle kunsten). Wie al deze vaardigheden wist aan te wenden en kunstwerken schiep die er uitzagen of ze met gemak en gratie vanzelfsprekend tot stand waren gekomen, die had de top bereikt. Dat was onbetwist het geval bij Michelangelo. Maar als hij het hoogtepunt had bereikt, hoe moet het dan verder? Hoe valt een hoogtepunt te overtreffen? Vasari komt daar niet uit. Er valt zelfs twijfel in zijn latere levens te bespeuren. Zou dat wel goed gaan? Zou er geen terugval komen? Michelangelo stierf in 1564 en Vasari tien jaar later. Hij heeft in die tien jaar in ieder geval niet meegemaakt dat het bergafwaarts met de kunsten is gegaan.

Zedelijke eisen

Elk van Vasari's Levens gaat veel verder dan een lemma in een kunstencyclopedie. Het boek getuigt ook van de voortreffelijkheid van de Italiaanse staten en in het bijzonder van Toscane waar de Medici, Vasari's broodheren, de baas waren. Aan Cosimo I is het boek dan ook opgedragen. Deze biografieen vervullen bovendien een emancipatorische rol. Vasari legde in geschrifte vast wat in de praktijk al lang voor de beste kunstenaars gold: zij bezaten een hogere, een intellectuele kwaliteit die hen stelde boven de schilderende of beeldhouwende ambachtslieden. De kunstenaar was niet alleen technisch een meester in het hanteren van penseel of beitel, hij was ook een werker van de geest. Hij kon schrijvers en dichters evenaren. Die positie rechtvaardigde ook de biografie van de kunstenaar, precies zoals die ook over vorsten en veldheren, schrijvers en geleerden werden geschreven.

Om die kwaliteit te bereiken moest de kunstenaar niet alleen een goede opleiding genieten en hard werken, hij moest ook voldoen aan zedelijke eisen. En hier ligt nog een derde niveau in Vasari's boek: het is ook een moralistisch betoog. Zonder een goed leven is er geen goede kunst mogelijk. Keer op keer toont Vasari weer aan hoe de braafste, meest oppassende, allerbehulpzaamste kunstenaars de mooiste kunst maakten. Luiwammesen en in zich zelf gekeerde vakidioten zouden nooit een plaats op de schildersparnassus veroveren. Daarvan wilde Vasari de toekomstige kunstenaar overtuigen. Als zij zich maar zo gedroegen zouden ook zij grote roem verwerven en zou de kunst in zijn geheel steeds voortreffelijker worden.

Vasari's Levens zijn vertaald met behoud van zijn gemaniereerd en soms wat weerbarstig taalgebruik. Zijn zinnen slingeren zich voort, hij schuwt de uitweiding niet en propt als het maar even kan snel nog een weetje in een bijzin. De functie van dit proza wordt door de vertaler en in de voortreffelijke inleiding van Henk van Veen, die ook de selectie maakte, verklaard. Dit helpt de lezer zeker over de eerste leesstroefheid heen en bovendien: stijl en intentie zijn hier onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Dronkelappen

Sinds Vasari is er veel veranderd in de kijk op kunstenaars. En ergens in de zeventiende eeuw is die voorbeeldige rol van de kunstenaar verdwenen, of liever gezegd, het negatieve kunstenaarsbeeld heeft veel meer relief gekregen. Voortbouwend op Vasari en Van Mander verschenen in Nederland kunstenaarsbiografieen, zoals die van De By, Van Hoogstraten en Houbraken. De kunstenaars, hoe begaafd ze ook waren, komen daar lang niet altijd gunstig in naar voren. Van een per definitie deugdzaam leven was geen sprake meer. Dronkelappen, echtbrekers en oplichters bevolken Houbrakens pagina's. Dat wil niet zeggen dat het hier te lande ook werkelijk een artistieke beestenbende was, net zo min als dat er in Italie alleen maar brave schilders leefden. Wel is het opvallend dat de biografen heel anders tegen de kunstenaars aankeken dan Vasari dat deed. Dit moet te maken hebben met een andere sociale positie. Hier kregen kunstenaars betrekkelijk weinig opdrachten van het hof of van de kerk en daarom bestond ook minder de noodzaak in leven en werk een ideaal uit te beelden. Expliciete moraliserende boodschappen kwamen hier vooral voor in de schilderijen en beelden voor publieke instellingen. Maar juist in het kleinere werk was het opvallend hoe alledaags de onderwerpen waren. In geen land stond de beoefening van laaggeachte genres als het landschap, het stilleven, het huiselijk tafereel op zo'n hoog peil. Onderwerpen waar Vasari's helden zich niet mee bezig hielden. Voor zijn moralistische visie was hier dan ook geen plaats.

Een van de minder bekende Nederlandse schildersbiografen is Jacob Campo Weyerman geweest (1677-1747). Weyerman staat bekend als een onbetrouwbare avonturier. Schilder, toneelschrijver, pamflettist, oplichter die zijn leven eindigde in de Gevangenpoort in Den Haag waar hij een levenslange gevangenisstraf uitzat wegens afpersing. In 1729 publiceerde hij in drie delen De Levensbeschrijvingen der Nederlandsche Konstschilders. Lang na zijn dood, in 1769 verscheen nog een vierde deel.

Een kleine groep Weijermanfanaten is al sinds vijftien jaar in de weer om deze libertijn aan de vergetelheid te ontrukken en een van hen, de Neerlandicus Ton Broos, is onlangs op hem gepromoveerd. Van dit proefschrift is een handelseditie verschenen. Broos reconstrueerde zo goed en zo kwaad als maar mogelijk was met zo'n altijd maar reizende en een spoor van mystificaties achterlatende figuur, Weyermans biografie. Daarbij geeft hij een analyse van diens Levensbeschrijvingen en van zijn visie op de kunst.

Al probeert Broos Weyerman te rehabiliteren, toch laat hij het beeld van een onbetrouwbare tegendraadse onruststoker in tact. Weyerman is de tegenpool van Vasari. Hier geen pretentieuze moralistische hofschrijver, maar een avontuurlijke malicieuze losbol. Weyermans stijl kenmerkt zich door de totale negatie van alle retorische regels, door burleske uitweidingen, door naam-en woordgrappen en door satirische uitvallen die voor een twintigste-eeuwer al lang niet meer te volgen zijn. Broos' conclusie is dat Weyerman op biografisch niveau niet zo heel veel heeft toegevoegd aan wat zijn voorgangers al hadden beschreven. Hij ontleende veel aan Houbraken, maar lardeert de biografieen met eigen herinneringen, met roddels en geruchten en ook de dikke duim bleef niet ongebruikt. Weyermans waarde ligt veel eerder in de onbekommerd subjectieve visie op de kunstwereld van zijn tijd. Hier geen nobele, mens-en kunst verheffende schilders, maar een door commercie gedreven wereld, een kluwen van schurkachtige handelaren, onbekwame kunstagenten, vervalsers, niet betalende vorsten en natuurlijk slecht schilderende vakgenoten, die door de maatschappij geminacht werden om hun zotheid en armoede. Over een van hen, een zekere N. Lyssens weet Weyerman te melden dat 'de Godsvruchtigheyt, de Kuysheyt en de Naarstigheyt' zijn 'heerschende Hartstogten' waren en dat hij, Weyerman, maar een handjevol kunstenaars kende aan wie hij deze drie deugden eveneens durfde toe te schrijven. Dat is niet veel op de 764 door hem behandelde kunstbroeders. Had Vasari dan toch eerder vertaald moeten worden?