Convenant nekslag voor veel apothekers

DEN HAAG, 11 jan. - Het convenant tussen apothekers, artsen, fondsen, verzekeraars en overheid, dat in september nog een glorieuze overwinning voor de apothekers leek, dreigt nu voor deze groep op een drama uit te lopen.

In de overeenkomst staat dat apothekers naar verwachting vanaf 1 april weer kortingen en bonussen van groothandel en industrie mogen aannemen. Dat is al veertig jaar verboden: de apotheker hoorde de verzekeraar de 'netto kosten' van een geneesmiddel in rekening te brengen. Per 1 januari 1988, toen er nieuw systeem werd ingevoerd (een vast bedrag per recept) onderstreepte de overheid nog eens dat handelsvoordelen als gratis partijen medicijnen ten goede moesten komen aan de patient. Dat dat niet altijd gebeurde hebben rapporten en vele processen-verbaal van de Economische Controledienst (ECD) duidelijk gemaakt.

Die ECD-dreiging is er nu niet meer. Sterker: bonussen en kortingen zijn vanaf 1 april nodig als de apotheker niet regelrecht op zijn faillissement wil afstevenen. In het overleg tussen fondsen, verzekeraars en apothekers hebben de eerste twee immers vast de rekening gepresenteerd voor deze 'nieuwe' praktijk. Zij gaan er vanuit dat de apotheker 25.000 tot 125.000 gulden voordeel kan afdwingen bij de leveranciers van geneesmiddelen. Veel zin om dat per individuele apotheker af te rekenen hebben de verzekeraars niet en dus eisen ze dat jaarlijks gemiddeld 70.000 gulden per apotheek in mindering wordt gebracht op de tarieven, in totaal bijna 80 miljoen gulden.

Hoewel het convenant voortdurend is bijgesteld, bleef deze angel zitten. De apothekersorganisatie ging er van uit dat die 70 mille wel zou worden gecompenseerd door praktijkkosten die de apothekers tegoed menen te hebben van de verzekeraars, zoals een toeslag voor bedrijfsrisico, onkosten voor de computer en laboratorium-kosten. Daarvoor blijkt echter geen ruimte te zijn bij de verzekeraars.

De fl. 10, 35 die de apotheker nu per recept krijgt zou dus worden verminderd tot ongeveer fl. 9, -. Dat zal voor zo'n 40 procent van de apothekers de genadeslag betekenen, want fl. 10, 35 is voor hen al nauwelijks kostendekkend. Daarbij komt dat zij deels ander werk moeten gaan doen: in plaats van de patient adviseren moeten zij in de slag met leveranciers om die 70 mille bijeen te sprokkelen.

Wordt het voor deze apothekers een zaak van overleven of faillissement, voor anderen is 70 mille een peuleschilletje. Daarbij moet vooral worden gedacht aan de 'rugzakgroothandelaren': apothekers die een groothandeltje hebben en zo de groothandelsmarge opstrijken. Hadden ze tot nu toe te vrezen voor vervolging, nu zijn ze voor 70 mille van alle problemen af en hebben een goede bijverdienste.

De minder winstbeluste apotheker lijkt het slachtoffer te worden van een handig opzetje. Volgens het nieuwe Geneesmiddelenvergoedingssyteem (GVS) immers zijn het de patienten, de artsen, de apothekers en de industrie die opdraaien voor de bezuinigingen. Het systeem gaat uit van groepen vergelijkbare medicijnen, waarbij de prijs van een preparaat de ijk wordt. Wordt een duurder middel voorgeschreven dan moet de patient bijbetalen. Hij draagt dus bij aan de bezuiniging door iets goedkopers te slikken of bij te betalen. De arts en de apotheker omdat zij goedkoper moeten voorschrijven en afleveren. En de industrie omdat de prijzen moet verlagen willen hun preparaten zonder bijbetaling nog worden afgenomen.

De groothandel blijft buiten schot en is niet betrokken bij enig overleg. Dat betekent niet dat het convenant langs hen heen gaat. Met het oog op zijn eigen voortbestaan zal de apotheker ongewild ineens een keiharde tegenstander moeten worden van de groothandelaar. Geen bonafide apotheker zal bij de opstelling van het convenant hebben vermoed ooit die rol opgedrongen te krijgen.

    • Bram Pols