Aan het werk

NOG NET OP TIJD voor de discussie over de tussenbalans heeft het kabinet gisteren een omvangrijk rapport van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) gekregen over de arbeidsparticipatie in Nederland. Verrast door de inhoud kan het kabinet nauwelijks zijn. Dat de arbeidsparticipatie in Nederland vergeleken bij andere landen laag is, mag bekend worden verondersteld. Dat daar wat aan moet gebeuren is een gegeven dat politiek onomstreden is. Maar dit geldt echter niet voor de aanbevelingen die de WRR doet om het aantal werkenden te vergroten. Vandaar dat de waarde van het WRR-rapport vooral is dat de politiek wordt gedwongen na te denken over zaken die nu nog van het stempel 'onbespreekbaar' zijn voorzien.

Het probeem dat de WRR schetst is duidelijk: Nederland kent per 100 inwoners tussen de 15 en 65 jaar vergeleken bij de rest van de Westerse wereld zo'n beetje het minste aantal werkenden. Als er rekening mee wordt gehouden dat veel mensen ook nog in deeltijd werken, kent Nederland binnen de EG op Spanje na het geringste aantal arbeidsjaren per honderd volwassenen. De keerzijde is een groot aantal uitkeringsgerechtigden. Tegenover honderd (niet zieke) werknemers staan 65 ontvangers van een sociale uitkering. Een verhouding die als gevolg van de demografische ontwikkeling alleen maar verslechtert. Bij ongewijzigd beleid zullen er in 2020 tegenover de honderd werkenden 93 ontvangers van een uitkering staan. Kortom, het draagvlak voor de verzorgingsstaat wordt steeds smaller.

DE OORZAAK is ook duidelijk. De werkloosheid blijft hoog, het aantal vrouwen dat werkt is in internationaal perspectief bezien nog steeds laag en het aantal mensen dat tot de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar blijft werken wordt steeds minder. Is het niet de WAO die hen dwingt te stoppen met werken, dan is het wel de VUT die, afhankelijk van de CAO, lonkt dan wel roept.

Het meest in het oog springende maar tegelijkertijd minst originele voorstel dat de WRR doet om de werkgelegenheid te vergroten en daarmee de arbeidsparticipatie is een verlaging op termijn van het minimumloon met dertig procent. Maar het is dan ook de crux. Arbeid voor laaggeschoolden is voor een belangrijk deel de markt uitgeprijsd als gevolg van de hoogte van het minimumloon. Aangezien de werkloosheid is geconcentreerd bij de laaggeschoolden is de link snel gelegd. De afgelopen jaren zijn de voor -en nadelen van een dergelijke stap uitvoerig in diverse gremia aan de orde geweest. Een van de grootste bezwaren in de politiek tegen een dergelijk forse verlaging van het minimumloon was altijd dat in bepaalde gevallen werkenden bovenop hun loon een aanvullende uitkering zouden moeten krijgen om aan het bestaansminium te komen. Het gaat hierbij om degenen die van hun minimuminkomen nog anderen moeten onderhouden. Maar de WRR stelt terecht dat nu er sinds vorig jaar voor de generatie die in of na 1990 de leeftijd van 18 jaar bereikt een geindividualiseerd uitkeringsstelsel geldt, alle reden is om opnieuw te kijken naar het minimumloon. Het bezwaar van inkomenstoeslagen is immers voor deze categorie weggenomen.

DE WRR WIL verder terecht af van de fiscale kostwinnerstoeslagen om vrouwen te stimuleren een baan buitenshuis te zoeken. Het afschaffen van de bestaande overdraagbare basisaftrek zou volgens berekeningen theoretisch kunnen leiden tot een extra arbeidsaanbod van 100.000 vrouwen. Of die ook werkelijk aan de slag kunnen hangt allereerst van de werkgelegenheid en dus het minimumloon af. Maar het vergt ook wat van de samenleving. De WRR wijst er op dat de belangrijkste drempel voor vrouwen met kinderen om te gaan werken het gebrek aan kinderopvang en buitenschoolse opvang is. Die situatie verbeteren kost nu geld. Maar zoals het WRR-rapport aantoont kan dat geld worden verdiend door het afschaffen van de kostwinnerstoeslagen. Voor sommigen in de politiek zal het een moeilijke keuze zijn, maar het is wel een noodzakelijke om in de toekomst een wat gezondere verhouding tussen werkenden en niet-werkenden te krijgen.