Aan de vooravond

“Iedereen die bij zijn volle verstand is weet dat het beter is een stad te bouwen dan te verwoesten, beter een akker te ploegen dan te vertrappen. En toch: als de legers zich eenmaal in beweging hebben gezet, wordt door de schok en het oorverdovend lawaai van de oorlog alles wat waardevol was vaal en vervelend en sentimenteel. Loopgraven en granaatscherven, houwitsers en vestingen, marcheren, aanvallen en veroveren, dat lijkt de ware werkelijkheid te zijn, het echte mensenwerk. De stille zorgvuldigheid van het laboratorium, het ontwerpen van steden en straten, onderwijs, gezondheidszorg, alles wat tot het grote, vreedzame avontuur van de democratie hoort, het is plotseling gereduceerd tot futiel getob. Wie wil er nog een schilderij maken, iets op papier zetten als het morgen verbrandt; iets in het midden brengen als het wordt overstemd? Wat doet het ertoe nog te denken? Welke betekenis heeft een criticus vergeleken met een bataljon infanterie? De tijd is aangebroken, zeggen de mensen, om tot daden over te gaan, welke daden dan ook.”

Dit is een citaat uit een artikel van Walter Lippmann in The New Republic van 7 november 1914. De oorlog was toen al drie maanden aan de gang, het inzicht begon te dagen dat de strijd in Belgie en Frankrijk in de loopgraven was vastgelopen. Het was geen frische frohliche Krieg van een triomfantelijke opmars en smadelijke capitulatie geworden. Europa stond 'aan de vooravond' van zijn zelfvernietiging; de geweldige machine die mensenvlees verwerkte, begon op toeren te komen. In de woorden van de 25-jarige Lippmann, Amerikaan, toeschouwer, klinkt de trieste verbazing, de onwil om te erkennen dat die zinloze, massale zelfmoord een aanvang heeft genomen en daardoor niet meer kan worden gestopt. De vooravond is al voorgoed voorbij.

Iedere grote oorlog heeft zijn vooravond. Hoe het bij de vorige toeging, staat bijvoorbeeld te lezen in Sartre's Wegen der vrijheid, of in de Memoires van Victor Serge. Het lijkt wel alsof het naderend onheil zich aan de dampkring heeft meegedeeld. De mensen worden fysiek misselijk van het onvermijdelijke. Wat ze nu nog doen, zullen ze zo nooit meer doen. De beschaving is overweldigd door angst zoals de ter dood veroordeelde in zijn cel waarvan de tralies en cipiers hem iedere illusie ontnemen. Men moet nog 'genieten van het leven' en des te meer naarmate de minuten schaarser worden; maar naarmate die rare verplichting tot genieten dwingender wordt, verliest men het vermogen. Angst is gemengd met de triestheid van het onherroepelijke.

Zoals het er nu voorstaat, nadat Saddams handlanger in Geneve de voltooiing van de volgende oorlogsmisdaad naderbij heeft gebracht, maakt de stemming van de vooravond zich weer van ons meester, althans, zo gaat het mij. Het valt te voorspellen dat tienduizenden in de woestijn die nu nog de hoop van alle levenden hebben, binnen veertien dagen in onherkenbare klompen vlees zijn veranderd en de terugweg aanvaarden in de speciale plastic zakken die daarvoor klaar liggen. Absurde, onvermijdelijke zorgvuldigheid.

Het citaat van Lippmann bevalt me zo goed omdat daarin duidelijk zijn verbazing over de ondergang van de redelijkheid tot uitdrukking komt. Het wil er eenvoudig niet bij hem in dat overigens beschaafde mensen plotseling de voorkeur geven aan een massale slachtpartij waarbij ze al hun vernuft en energie aan moordwerktuigen besteden. En toch: 'De tijd is aangebroken om tot daden over te gaan, welke daden dan ook.'

Als er zoiets staat te gebeuren, denk ik ook even aan de heer Wim Polak, burgemeester van Amsterdam toen het kraken zijn hoogconjunctuur beleefde. De barricades bij de Vondelstraat moesten worden opgeruimd. Daarvoor waren de noodzakelijke strijdkrachten aangevoerd, een kleine pantsercolonne. De heer Polak waarschuwde voor de laatste maal, deed het finale beroep op de redelijkheid en zei, ter ondersteuning daarvan: 'Als de colonne eenmaal in beweging is gezet, kan deze niet meer worden gestopt.'

In de Vondelstraat is het met een sisser afgelopen. Grote hemel, wat zijn Nederlanders menselijk. Maar tussen Vondelstraat en Saoedische woestijn is, afgezien daarvan, geen principieel verschil. Zijn de colonnes eenmaal in beweging, dan weet voorlopig geen mens hoe ze tot stilstand moeten worden gebracht. Bush en Saddam weten het evenmin als u en ik.

Dat is het besef van 'de vooravond' waarin men fluistert dat men 'alleen nog op een wonder hoopt'. Hopen op een wonder is het requiem voor de rede.