Waarom nepmiddelen meestal helpen

De Wet op de Geneesmiddelenvoorziening stelt een aantal eisen aan geneesmiddelen voordat zij in aanmerking komen voor registratie. Zo moeten de middelen de gestelde werking en de opgegeven kwalitatieve en kwantitatieve samenstelling bezitten. Artikel 1, lid 3, biedt de regering echter de mogelijkheid deze eisen niet van toepassing te verklaren indien “ het belang van de volksgezondheid dat nodig maakt”.

Op 1 mei 1989 werd van deze mogelijkheid gebruik gemaakt, en werden bijna alle homeopatische middelen ondergebracht in het ziekenfondspakket. Deze beslissing wordt op dit moment door staatssecretaris Simons heroverwogen. De brandende vraag is natuurlijk: hebben we hier te maken met echte, werkzame geneesmiddelen, of betreft het kwakzalverij?

Als homeopathie kwakzalverij is, dan in ieder geval een onschuldige en onschadelijke vorm, en dat is wel eens anders geweest. In een oude, gefilmde documentaire over oorlog tussen papoea-volkeren wordt bijvoorbeeld getoond hoe de gewonden verpleegd werden. Bij een man met een pijlwond in de heup werd een soort zwachtel van bladeren aangelegd, en toen gebeurde er iets merkwaardigs: met een scherpe steen sneed de medicijnman kleine stukjes uit de borst en de buik van de gewonde. De filmbeelden maakten duidelijk dat dit zeer pijnlijk was. Het idee achter deze behandeling was misschien dat door elders pijn te veroorzaken, de pijn van de heupwond zou verminderen.

De geschiedenis van de geneeskunde toont een breed scala aan behandelmethoden waarmee, volgens onze huidige kennis, de toestand van de patient alleen verslechterd werd, en bovendien onnodig leed werd aangericht.

A. J. Dunning schrijft in Broeder Ezel dat mensen zich eeuwenlang willig en tevreden lieten behandelen met bloedzuigers, aderlating, laxeren en inspuiting van hete tabaksrook in de endeldarm - wat nog een lid van het huis Oranje-Nassau het leven heeft gekost. Arts en patient geloofden beiden oprecht in nut en baat.

Acupunctuur

Ook tegenwoordig laten velen zich tot kennelijke tevredenheid behandelen met methoden waaraan anderen de denigrerende betiteling 'kwakzalverij' menen te moeten toekennen; men denke bijvoorbeeld aan acupunctuur. Ondanks de lange traditie, kunnen acupuncturisten niet een wetenschappelijk artikel overleggen waarin een duidelijk effect van hun behandeling experimenteel wordt aangetoond.

Het tegendeel bleek wel mogelijk: in Harvard werd een groep patienten met ernstige gewrichtsklachten met acupunctuur behandeld. Soms werden de naalden volgens de regelen der kunst geplaatst, soms willekeurig. Er werd geen verschillend effect van beide behandelingen gevonden. Niettemin ging er in de acupunctuur-branche gedurende een aantal jaren vermoedelijk evenveel geld om als in de hartchirurgie.

Vanwaar het soms massale vertrouwen in dubieuze behandelmethoden?

Niet bekend

Alle patienten hadden uitsluitend een fop-middel zonder specifieke werking ontvangen. Dit effect is in allerlei experimenten aangetoond, ook met fop-operaties, en ook in negatieve zin. Wanneer bijvoorbeeld verteld werd dat een geneesmiddel diarree of een verstopte neus kon geven, dan werd dit ook bij placebo-gebruikers gevonden. Bijwerkingen van placebo's als hoofdpijn, slaapstoornissen en misselijkheid zijn waargenomen, tot verslaving en hallucinaties toe.

Blijkbaar is de verwachting die er bij een patient bestaat omtrent het resultaat van een behandeling van grote invloed op datzelfde resultaat. Een optimistische patient heeft betere kansen dan een pessimistische, zelfs als dat optimisme op een misverstand berust. Dunning meent dat met het placebo-effect het taaie bestaan is verklaard van Lourdes, acupunctuur en psychotherapie.

Regressie

Een geheel andere verklaring voor het geloof in kwakzalverij gaat ervan uit dat de natuurlijke genezing het beste hulpmiddel is van zowel de arts als de kwakzalver. Statistische regressie of regressie naar het gemiddelde zijn de benamingen van het verschijnsel waarvan verwacht kan worden dat het optreedt in een groep zieken. Hier volgt een voorbeeld van dit effect.

Gesteld dat aan de kinderen van een schoolklas gevraagd wordt om een kilometer hard te lopen. Van elk kind wordt de tijd genoteerd waarin de kilometer is afgelegd. Vervolgens wordt de klas in drie groepen ingedeeld: De langzamen, de gemiddelden en de snellen. De volgende dag wordt aan de groep 'langzamen' gevraagd om nogmaals een kilometer hard te lopen. Voordat deze kinderen hieraan beginnen wordt ze iets toegediend waarvan absoluut zeker is dat het geen enkele gunstige invloed op hun hardloop-prestatie heeft, bijvoorbeeld een dropje.

De voorspelling is dat deze langzame kinderen, na de consumptie van het dropje, gemiddeld harder zullen lopen dan ze de vorige dag deden - en deze voorspelling wordt bijna altijd bewaarheid.

Of een ander voorbeeld: de hele klas doet een intelligentietest, en wordt aan de hand daarvan ingedeeld in dommen, gemiddelden en slimmen. De volgende dag krijgen de 'dommen' een dropje, leggen opnieuw een I. Q.-test af en waarachtig - ze scoren gemiddeld hoger dan de dag daarvoor.

De conclusie lijkt daarom gerechtvaardigd dat de consumptie van een dropje het hardlopen en de intelligentie bevordert. Waarom is dit een onjuiste conclusie?

Toevalsfactoren

Bij metingen van variabelen spelen toevalsfactoren en meetfouten vaak een grote rol. De lage score van sommige kinderen bij de eerste hardloop-meting werd misschien veroorzaakt omdat ze verkouden waren, slecht hadden geslapen, struikelden, verkeerde schoenen aanhadden, etc. De volgende dag zullen enkelen van hen beter lopen, en daarom zal de gemiddelde score van de groep 'langzamen' hoger zijn.

Door dezelfde toevalsfactoren zullen de kinderen die op grond van hun prestatie op de eerste dag bij de 'snellen' werden ingedeeld, de volgende dag gemiddeld langzamer lopen. Extreme scores hebben de neiging terug te vallen (te regresseren) naar het gemiddelde. Als de gehele klas de volgende dag een dropje krijgt en opnieuw hardloopt, dan zal blijken dat drop de loopsnelheid niet bevordert. (Terwille van het voorbeeld is afgezien van de mogelijkheid dat de kinderen als gevolg van de oefening op de eerste dag, beter scoren op de tweede dag.)

Iedereen is wel eens ziek, en meestal gaat de ziekte vanzelf over. Als alle zieken vandaag een dropje eten, en morgen wordt de gezondheidstoestand van dezelfde groep opnieuw gemeten, dan is er gemiddeld een verbetering opgetreden, want ziekte is een extreme score. Maar dit betekent natuurlijk niet dat drop ook al helpt tegen ziekte. Want de groep kerngezonden zal na het eten van een dropje de volgende dag een aantal zieken bevatten.

Gezonde mensen nemen geen middeltjes tegen ziekten, zieken wel. Zieke mensen worden meestal beter, gezonde mensen kunnen alleen maar ziek worden. Hieruit wordt, soms volkomen ten onrechte, de conclusie getrokken dat hetgeen de patient aanwendt om beter te worden (het slikken van middeltjes, bezoek aan arts, kwakzalver, etc.) een positief effect op de ziekte heeft. Omdat direkt na hulp van de kwakzalver de zieken meestal beter worden, loopt de kwakzalver met de eer weg.

De oorzaak van de verbetering is echter vaak dat zieken een zichzelf selecterende groep met een extreme score vormen, en in een dergelijke groep kunnen regressie-effecten verwacht worden.

De vraag of homeopatische middelen wel of niet in het ziekenfondspakket moeten, is hiermee nog niet beantwoord. Want sommige patienten laten zich na een consult niet door de dokter wegsturen zonder recept. En als het geen homeopatisch recept is, dan maar een middel uit de reguliere geneeskunde. Het is de vraag wat in dat geval beter is.

    • Frans Roes