VROUWENTONG

Margaret Atwood: Cat's Eye, Bantam Books, 1989

R. B. Cairns et al.: Growth and aggression: 1. Childhood to early adolescence. In: Developmental Psychology, 25, 2, 320-330, 1989

E. Maccoby en C. N. Jacklin: The psychology of sex differences, Stanford University Press, 1974

C. N. Jacklin: Female and Male: Issues of Gender. In: American Psychologist, 44, 2, 127-133, 1989

'Aan het eind van de straat kan ik ze met z'n drieen zien aankomen. In het donker komen ze op me af. Hun jassen lijken bijna zwart, net als hun gezichten als ze dichterbij zijn. Cordelia zegt: “ We zeiden dat we naar jou toe zouden komen, niet dat je naar ons mocht komen.” Ik zeg niks. Grace zegt: “ Ze hoort toch antwoord te geven als we tegen haar praten, vind je niet?” Cordelia zegt: “ Ben je soms doof?” Hun stemmen komen van ver weg. Ik draai me om en geef over op de sneeuw.'

Een citaat uit Margaret Atwoods boek Cat's Eye, waarin de volwassen vrouw Elaine terugkijkt op haar kwelgeesten van toen ze tien was. Jongens zijn agressiever dan meisjes. Dat is de gangbare opvatting die ook door onderzoek wordt gesteund, maar dan gaat het wel over fysieke agressie, niet over verbale agressie, waarin meisjes zeer bedreven kunnen zijn. Sociale uitstoting, roddel en achterklap die een kinderleven minstens zo kunnen vergallen als het eeuwig slachtoffer zijn van vechtpartijen. Maar, zoals Cairns schrijft in een verslag van zijn longitudinale studie onder 220 kinderen, deze verbale en sociale agressie is moeilijk te onderzoeken omdat het vrijwel altijd in het geniep plaats vindt. Hij stelde zelf een enorme toename vast tussen het tiende en dertiende jaar bij meisjes onder elkaar. Bij jongens van deze leeftijd kwam sociale agressie niet voor. Conflicten tussen jongens en meisjes komen op deze leeftijd relatief veel minder voor, maar als ze er zijn gebruiken meisjes ook in toenemende mate hun wapen van de geniepige, verbale ondermijning.

Interessant in dit verband is ook de observatie van Feshbach dat jongens die paarsgewijs meededen aan psychologische experimenten een derde jongen die er later bij kwam veel spontaner tegemoet traden dan twee meisjes een derde meisje. Zo'n nieuwkomer werd door meisjes nogal eens genegeerd en aan haar inbreng bij het oplossen van de experimentele taken werd nauwelijks aandacht besteed. Meisjes die nieuw komen in een klas zoeken in het algemeen ook meer steun bij de leerkracht, terwijl nieuwkomende jongens vaker meteen aansluiting zoeken bij andere jongens uit de klas. Het lijkt er dus op dat meisjes wantrouwender staan tegenover seksegenoten dan jongens.

Als het om de fysieke vorm gaat geldt echter dat jongens veel agressiever zijn dan meisjes. De vraag die dan altijd wordt gesteld is of zij dat van nature zijn of zo worden gemaakt door de opvoeding die zij krijgen. In hun grote overzicht van sekseverschillen pleiten Eleanor Maccoby en Carol Jacklin voor het eerste. Zij geven vier argumenten om voornamelijk te denken aan een aanlegkwestie. Dezelfde sekseverschillen komen bij mensapen voor. In alle culturen zijn mannen fysiek agressiever dan vrouwen. Fysieke agressie hangt samen met de mate waarin manlijke hormonen in het lichaam voorkomen.

Deze agressieverschillen komen al bij heel jonge kinderen voor. Wat betreft de invloed van de opvoeding lopen de gangbare opvatting en onderzoeksresultaten uiteen. In het algemeen denkt men dat van kleine jongetjes meer vechterigheid, wildheid enzovoort wordt getolereerd dan van kleine meisjes. In interviews zeggen ouders ook dat zij dat van jongetjes minder erg vinden dan van meisjes. Zij weerspiegelen daarin de gangbare opvatting, net als de studenten die in een onderzoek een video-opname kregen te zien van twee kleuters die in de sneeuw speelden. Sneeuwpakken maakten dat de sekse van de kinderen bleef verhuld. De onderzoekers deelden hun onderzoeksgroep in vieren en vertelden respectievelijk dat het ging om twee jongens, twee meisjes, jongen meisje, meisje jongen. Gevraagd werd de mate van agressie tussen beide kinderen aan te geven. Als het zogenaamd ging om twee jongetjes werd er minder agressie toegedacht aan wat zich tussen de twee kleuters afspeelde. Dat kan men interpreteren als: wat jongetjes aan wildheid laten zien is gewoon en moet je niet als agressie opvatten. Observatie-onderzoek waarbij niet naar woorden maar naar daden wordt gekeken, laat echter iets anders zien. Zowel vaders als moeders geven of hun zoontjes meer op hun kop dan hun dochtertjes voor vergelijkbaar agressief gedrag, of ze maken geen verschil. Jongens zouden dus meer reden hebben om bang te worden van hun eigen agressie door de straf die erop volgt, en daarom juist meer aanleiding ondervinden zich te leren inhouden. Hetzelfde is te zien in de kleuterklas. Ook daar zijn jongetjes niet alleen agressiever, maar ze krijgen ook een strengere aanpak. Bij meisjes blijft het vaker bij een vermaning, al of niet met een verwijzing naar het wel gewenste gedrag. Er zijn echter een paar interessante verschillen die het toch weer ingewikkelder maken. Jongetjes die lelijk doen tegen hun ouders, worden door vader strenger berispt dan meisjes, terwijl moeders in zo'n geval bozer worden op meisjes. Hetzelfde is te zien als kinderen brutaal zijn tegen derden: vaders kiezen dan eerder de kant van hun dochters, moeders vergoelijken eerder hun zoontjes.

De manier waarop volwassenen de agressiviteit van kinderen proberen te reguleren is dus veel subtieler dan dat eenvoudigweg van jongetjes meer wordt getolereerd dan van meisjes. Eleanor Maccoby en Carol Jacklin bestrijden deze laatste stereotiepe opvatting ook nog langs andere weg. Als jongens en meisjes eigenlijk in dezelfde mate geneigd zouden zijn tot agressie, maar meisjes meer zouden leren zich in te houden, zou je mogen verwachten dat zij meer onschuldige manieren van fysieke agressie-uiting zouden vertonen als uitlaatklep. Maar het blijkt andersom te liggen, jongens hebben ook meer agressieve fantasieen en zijn ook vaker lichamelijk op een speelse manier agressief bezig, zoals met stoeien. Bovendien blijkt dat jongens vanaf vijf jaar agressiever worden tegen andere jongens, maar niet tegen meisjes. Vrouwen en meisjes zijn trouwens in fysiek opzicht niet alleen zelf minder agressief, maar zijn ook minder slachtoffer van zulke agressie.

Wie evolutionistisch denkt, zou willen weten welke betekenis de fysieke en verbale agressie oorspronkelijk hebben als het gaat om voortplantingssucces. Misschien dat jongens en meisjes zo ieder op eigen wijze oefenen in het uitschakelen van rivalen? Een kunst die ze immers later bij de paarvorming moeten beheersen. Waar, zoals bij meisjes, de lichaamskracht ontbreekt, komt de scherpe tong te hulp. Bovendien is het sociale aanvoelingsvermogen bij meisjes in het algemeen verder ontwikkeld en dat helpt natuurlijk ook. Als je iemand met woorden te lijf wilt gaan, moet je wel de emotioneel zwakke plekken weten te vinden. Dat meisjes minder dan jongens het slachtoffer zijn van fysiek geweld laat zich eventueel ook nog wel evolutionair verklaren: voor het in stand houden van de soort moet men zuinig zijn op vrouwen, maar een mannetje meer of minder doet er niet toe.