Sprookje

Er was eens een piepklein, heel rijk landje waar zoveel mensen per vierkante meter woonden dat ze zich nauwelijks meer konden bewegen. Al het verkeer liep vast; de treinen reden niet meer op tijd; de auto's stonden urenlang in vele kilometers file. Ze hadden al een paar keer de wegen verbreed en verlengd. Het had niets geholpen. Zodra er weer wat beweging in de files kwam, kochten de mensen er auto's bij en de zaak kwam weer piepend tot stilstand. Er waren geleerden die zeiden dat er maar een manier was om de automobiliteit te verminderen: de boel laten vastlopen. Maar omdat het landje zich verbeeldde een belangrijk knooppunt in het wereldgoederenverdeelsysteem te zijn, vonden ze dit geen goed idee.

Het land werd geregeerd door een gezelschap lieve feeen en brave kabouters. Elke week op vrijdagochtend hielden ze beraad hoe het nu verder moest. Hoofdkabouter Rudolphus stond bekend om zijn briljante invallen. 'Weet je wat', sprak hij, 'als we nu eens de kaartjes van treinen, trams en bussen omlaag doen en het autorijden duurder maken'. Je kon merken dat hij had doorgeleerd in de economie. 'Ja maar dan zit ik met een gat in m'n begroting', reageerde prompt schatbewaarder Duit. 'We moeten niet minder maar juist meer geld binnenkrijgen in de staatskas. Het gaat toch al zo belazerd. De prijzen van het openbaar vervoer moeten omhoog, geen gezeur.'

De lieflijke verkeersfee Lisa die al met overvolle treinen in haar maag zat, reageerde: 'Het is toch al zo'n zooi in de trein met al die scholieren en studenten in de gangpaden. Ze verkruimelen m'n croissantje en ze kreukelen m'n krantje.'

'Hoor es hier', kwam Flits de onderwijskabouter tussenbeide, 'ik moet m'n begroting ook sluitend krijgen. Door die deal met de Spoorwegen kan ik op de studietoelagen bezuinigen'. Het gezelschap kibbelde nog wat verder en besloot uiteindelijk de prijzen voor het openbaar vervoer te verhogen en die van het autorijden ook. Maar die laatste dan nog ietsje meer. Pfff, dat was een hele denk geweest. Iedereen was tevreden; de dossiers werden dichtgeslagen; het werd tijd voor een kopje thee.

Het was Duit die roet in het eten gooide. Hij had nog eens goed nagedacht. 'Zeg luitjes, ik geloof dat we een foutje maken. Het is immers helemaal niet zeker dat we meer geld binnenkrijgen als we de kaartjes duurder maken. En het is ook nog maar afwachten of je de automobilist door hogere prijzen minder kunt laten autorijden.' Duit had zich plotseling het hoofdstuk over de prijselasticiteit van de vraag uit z'n economieboek van vroeger herinnerd. Rudolphus begreep meteen wat Duit bedoelde. 'Stom dat ik daaraan niet gedacht heb.' Maar Lisa en Flits en nog een paar anderen wilden wel graag dat Duit het met een voorbeeldje uitlegde.

'Stel je voor dat je op een dag 1000 treinkaartjes van een tientje verkoopt; je ontvangt dan 10.000 gulden. Nu verhoog je de prijs tot elf gulden, in de hoop dat je meer zult ontvangen. Maar het is heel goed mogelijk dat je in plaats van 10.000 gulden nu 8.800 gulden ontvangt. Eenvoudig omdat die prijsverhoging mensen afschrikt. Je moet dus weten hoe prijsgevoelig je klanten zijn. In het gegeven sommetje gaat de prijs met tien procent omhoog en de verkochte hoeveelheid kaartjes gaat daardoor met twintig procent omlaag. Er worden nog maar 800 kaartjes verkocht a elf gulden; dus krijg je 8.800 gulden binnen. Twaalfhonderd gulden minder dan voor de prijsverhoging. Economen zeggen in zo'n geval dat de prijselasticiteit -2 is. Gaat de prijs tien procent omhoog, dan gaat de verkochte hoeveelheid twintig procent omlaag. We noemen dit een prijselastische vraag: bij een prijsverhoging haken er zoveel klanten af dat de opbrengst ondanks de hogere verkoopprijs terugloopt.'

'Maar het kan toch ook anders uitvallen' merkte Flits op, die zowel dr. als ir. voor z'n naam had staan en dus ook van wanten wist. 'Neem nou 'ns aan dat bij een prijsverhoging van tien procent er maar vijf procent minder kaartjes worden verkocht. De klanten schrikken niet zo erg; de vraag is nogal ongevoelig voor prijsverhogingen. Liefhebbers hebben het geloof ik over een prijsinelastische vraag. Dan verkoop je dus 950 kaartjes van elf gulden; je ontvangt mooi 10.450 gulden. Meer dan voor de prijsverhoging'. En hij keek met een blik van 'nou-jij-weer' naar z'n collega's. Niemand zei nog iets. Rudolphus zat te rekenen op de achterkant van een sigarendoosje. 'Klopt', zei hij, 'je hebt gelijk. Geweldig. Maar hoe weten we nu welke van de twee mogelijke uitkomsten de goeie is? ' Ze waren het er al snel over eens dat deze brandende kwestie nader onderzoek verdiende. En ze besloten een Commissie in te stellen en advies te vragen. Maar voordat het zover was bedacht fee Lisa nog iets: 'Als het allemaal waar is wat jullie zeggen, dan weten we ook niet of je de automobilist minder kunt laten rijden door het autorijden duurder te maken. Ik ken genoeg mensen die ook als de benzine drie gulden per liter kost, in hun auto blijven zitten.' Lisa had gelijk. En dus werd het de 'Commissie inzake onderzoek naar de prijsgevoeligheid van de mobiliteit'.

Het kostte de Commissie maar twee maanden om met haar advies te komen. De uitkomsten waren niet leuk. Het onderzoek had geleerd dat bij verhoging van de tarieven van het openbaar vervoer de klanten massaal wegbleven. Als voornaamste reden noemden ze de slechte kwaliteit, zeker nu trein, tram en bus OverVol waren. Lagere opbrengsten bij het openbaar vervoer; fee Lisa zat met een gat. Voor Duit had de Commissie een vrolijker boodschap: hoe je de benzine-accijns ook verhoogt, de automobilist blijft even blij evenveel autorijden.

Die nacht had hoofdkabouter Rudolphus een kwaaie droom. Hij droomde van treinen die alleen nog door OV-jaarkaart studenten werden bevolkt. En van files die zo vast zaten dat er bijna geen benzine gekocht hoefde te worden. Collega Duit stond te snikken bij een lege schatkist...

    • Rolf Schöndorff