Russen zijn van Comecon amper wijzer geworden; De Comecon droeg nooit meer dan zes procent bij aan de wereldhandel

MOSKOU, 10 JAN. Eigenlijk is de Comecon in de 41 jaar van zijn bestaan altijd een kopie geweest van het Russische imperium. Net als in het grote rijk was Moskou ook in deze socialistische handelsgemeenschap in politieke zin steeds de baas. Maar het heeft van die machtspositie economisch uiteindelijk nooit weten te profiteren. Als de rekening moet worden opgemaakt, heeft de Comecon de Russen namelijk vooral geld gekost, zoals ze ook van hun continentale kolonialisme amper iets wijzer zijn geworden. Dat was de prijs die betaald moest worden voor de pretentie dat Rusland een grootmacht was. In Moskou is het verdriet over het heengaan van de Raad voor wederzijdse economische hulp (de officiele naam van de nu terziele gegane organisatie) derhalve niet zo groot.

Vanaf het eerste moment was de Comecon een economisch misverstand. Opgericht in januari 1949, als socialistisch antwoord op de westerse Marshall-hulp en de daarbij horende Organisatie voor Europese economische samenwerking die in april 1948 van de grond was gekomen, moest de Comecon het wapen zijn waarmee de Sovjet-Unie haar net veroverde Oosteuropese satellietstaten kon disciplineren en integreren. Want, zoals Jozef Stalin in 1952 in zijn laatste levensjaar nog schreef in zijn boekje 'Economische problemen van het socialisme in de Sovjet-Unie': “De desintegratie van die ene allesomvattende wereldmarkt is het belangrijkste resultaat van de Tweede wereldoorlog. China en andere, Europese, volksdemocratieen zijn uit het kapitalistische kamp gebroken en vormen nu samen met de Sovjet-Unie een verenigd en machtig socialistisch kamp”.

De officiele doelstelling van de Comecon luidde daarom aldus. Het ging de raad om de “planmatige ontwikkeling van de volkshuishoudingen en consequente verhoging van de arbeidsproductiviteit en welvaart van de bevolking van gelijkwaardige soevereine staten”.

De officieuze praktijk was echter anders. Voor de Sovjet-Unie was de Comecon vooral een vrije jachtacte. Zeker toen in 1950 de DDR toetrad, werd dat land onder het motto van wederzijdse samenwerking geplunderd. Hoeveel de Sovjet-Unie tot 1960 aan de oostelijke zone heeft verdiend, is niet exact te becijferen. Maar de schattingen varieren van negentien tot 26 miljard dollar, een bedrag dat zelfs de totale Marshall-hulp (twaalf miljard dollar in vier jaar die bovendien in omgekeerde richting vloeide, dat wil zeggen naar Europa toe) in de schaduw stelt.

Na de dood van Stalin in 1953 en de drie jaar later ingezette 'destalinisatie' ging dat patroon voorzichtig veranderen. En vanaf dat moment begon het voor de Sovjet-Unie ook langzaam maar steeds zekerder fout te gaan met de Comecon. Want in het onderlinge handelsverkeer bleek meer en meer dat de verschillende economische structuren zich niet planmatig lieten harmonieren. De Europese volksdemocratieen werden de leveranciers van consumptiegoederen en andere relatief hoogwaardige spullen. De Sovjet-Unie van haar kant bood de grondstoffen aan. De prijs voor beide artikelen was uiteraard niet gebaseerd op marktverhoudingen maar werd vastgesteld door de Comecon (lees: Moskou). Dat leek voordelig, maar was het niet. De kleine lidstaten bleven zo in de illusie leven dat hun produktie iets waard was op de wereldmarkt en werden zo niet gestimuleerd om de kwaliteit aan de omgeving aan te passen. De Sovjet-Unie op haar beurt moest volharden in de verkoop tegen dumpprijzen van energie en andere basisgoederen. Het onderlinge verkeer verzandde zo in primitieve ruilhandel omdat het betaalmiddel waarin alles werd berekend (de roebel) een steeds fictievere waarde kreeg. Of, zoals een Tsjech eens bij een kopje koffie zei tegen de Schotse econoom en sovjet-specialist Alec Nove: “Als de wereldrevolutie komt, moeten we tenminste een kapitalistisch land in tact houden. Anders weten we helemaal niet tegen welke prijzen we moeten handelen”.

Gevolg hiervan was dat de meest gevanceerde lidstaten (de DDR, Tsjechoslowakije, Polen en Hongarije) consequent probeerden om zich onder de gemeenschappelijke planning uit te werken omdat ze altijd het gevoel hadden dat de centrale planners in Moskou hen poogden te belazeren, hun verbale politieke loyaliteit jegens Moskou ten spijt. Alleen de kleine en achtergebleven leden, zoals Cuba dat in 1972 toetrad en Vietnam dat zes jaar later mocht volgen, wisten in die fase nog enig profijt te trekken. Plannen voor nog verdergaande integratie en specialisatie werden gemaakt, maar mislukten nagenoeg allemaal. Een poging om de wereldprijzen indirect te verdisconteren in de onderlinge tarieven, haalde ook weinig uit. De kloof tussen de naar verhouding veel te goedkope energie uit Rusland en veel te duren industriele producten uit de andere Comeconlanden werd er niet mee gedicht.

Het was ook voor de partijbonzen geen geheim. Voormalig Sovjet-president en partijleider Leonid Brezjnev onderkende dit in 1981 op het 26e congres van de CPSU nogal expliciet. Maar, zo voegde hij er toen om politiek-ideologische redenen aan toe, de “voordelen zijn uiteraard niet alleen in puur commerciele termen te meten”. Dat liet zich raden, want alles bij elkaar droeg de Comecon in die jaren niet meer dan zes procent bij aan de total wereldhandel.

De constructie liet het leven vorig jaar toen de politiek onttakeling van het 'reeel bestaande socialisme' een feit werd. Maar in economische zin was het finale proces al eerder aan de orde. Toen de olie- en gasprijzen vanaf 1985 begonnen te dalen en de Sovjet-Unie bovendien steeds meer problemen kreeg met de winning van haar energiereserves, werden de politieke motieven om de Comecon in stand te houden al een strop om de nek van Moskou. Tot het midden van de jaren tachtig had de Sovjet-Unie de verliezen nog kunnen compenseren door uitvoer olie en gas naar de industriele wereld. Die export had vanaf 1970 namelijk een enorme vlucht genomen, van 600 miljoen dollar twintig jaar geleden tot twintig miljard in 1982. Maar na 1985 vielen die inkomsten uit export naar de westerse landen door de prijsval terug tot maar liefst vijftien miljard dollar in 1989, valuta die de Sovjet-Unie steeds dringender nodig had voor het kopen van internationaal concurrerende technologie die de andere lidstaten van de Comecon absoluut niet konden leveren. De gestage teruggang van de economische groei (volgens de officiele cijfers van vier procent in 1985 naar drie procent eind jaren tachtig, volgens de economen Vasily Seloenin en Grigori Chanin tot onder nul als je het defensiebudget niet meetelt) illustreerde de noodzaak daarvan.

Daarop moest de Sovjet-Unie dus wel reageren. “Dat had niets te maken met perestrojka of glasnost maar louter en alleen met de prijsontwikkelingen op de mondiale energiemarkt”, aldus de Westduitser Klaus Leisen, president van de raad van bestuur van Ruhrgas uit Essen, eind mei vorig jaar op een internationaal symposium in het Intercontinental-hotel in Moskou.

De perestrojka deed de rest in Oost-Europa. Toen daar overal burgerlijke regeringen aan de macht kwamen, die een voor een aanstalten maakten uit het blok te stappen, deelde de Sovjet-Unie de genadeklap aan de Comecon uit. Door de simpele eis te stellen dat de voormalige volksdemocratieen voortaan hun gas en olie in dollars dienden te betalen. Bij wijze van pressie en omdat de Russen bij gebrek aan produktiecapaciteit gewoon niet in staat waren hun verplichtingen na te komen - zeker niet tegen waardeloze roebels - werd de kraan vervolgens dichtgedraaid. Afgelopen zomer kreeg Oost-Europa zodoende dertig procent minder energie dan was afgesproken.

Het besluit van afgelopen zaterdag om opnieuw te beginnen, was dan ook een logisch gevolg van een wederzijds 'afkick-proces'. Iedereen zag uiteindelijk meer in een 'cold turkey', zoals een Oost-Europese econoom het deze week in de Los Angeles Times formuleerde, dan in een eindeloze methadon-kuur. Twee leden van de Comecon zullen daarvan hoe dan ook het slachtoffer zijn, te weten de enige landen van de Comecon die zich nog socialistisch noemen: Vietnam en Cuba.