Rechtbank: Shell moet hebben geweten dat storting giftig was

DEN HAAG, 10 jan. - In een voorlopig oordeel heeft het gerechtshof in Den Haag vanmorgen gezegd dat de oliemaatschappij Shell moet hebben geweten dat de landbouwbestrijdingsmiddelen, die in de jaren vijftig in Gouderak zijn gestort, gevaarlijk waren.

In die tijd, aldus het gerechtshof, waren er 20 publikaties voorhanden waarin op de gevaren van de zogenoemde drins werdgewezen. Hoewel het hof zegt de indruk te hebben dat Shell onrechtmatig heeft gehandeld, heeft het nog geen definitief vonnis geveld. De zaak wordt op 14 februari verder behandeld.

Het gerechtshof houdt zich in hoger beroep bezig met de zaak, waarover de Rotterdamse rechtbank in 1987 oordeelde dat Shell aansprakelijk kan worden gesteld.

In de procedure vordert de staat de kosten, die zijn gemoeid van de sanering van de Gouderakse Zellingwijk, een woonwijk die in de jaren zestig op de vervuilde grond werd gebouwd. De wijk werd later afgebroken en het terrein werd afgedekt, wat naar schatting 110 miljoen gulden kostte. De staat wil dat Shell die kosten betaalt.

Het hof heeft een definitief oordeel uitgesteld omdat het meer wil weten over het verhalingsrecht van de staat. De rapporten, die daarover zijn uitgebracht, hebben daar volgens het hof te weinig inzicht in gegeven.

Het heeft zich evenmin al uitgesproken over de vraag of de gemeente schuld heeft. In 1959, voordat de woonwijk werd gebouwd, trad er massale vissterfte op in de Hollandse IJssel en men vermoedde dat die te maken had met de vervuiling met drins.

De kwestie tussen de staat en Shell speelt als sedert 1983. Bij de behandeling van het hoger beroep door het gerechtshof in Den Haag in oktober jl. zei de advocaat van Shell dat teruggrijpen op zaken die dertig jaar geleden speelden op basis van de kennis van nu een ernstig inbreuk op de rechtszekerheid zou betekenen. De advocaat namens de staat daarentegen zei ook op basis van de normen, die in de jaren vijftig golden Shell onzorgvuldig en derhalve onrechtmatig had gehandeld.

De zaak van de staat tegen de Shell wordt algemeen gezien als een testcase voor de vraag of bedrijven aansprakelijk kunnen worden gesteld voor in het verleden gepleegde vervuilingen. In augustus 1983 gingen de eerste dagvaardigingen tegen bedrijven als Akzo, Philips en Duphar en Shell te deur uit, maar de procedure tegen Shell was de eerste, die voor de rechter werd uitgevochten.