In nulnummer Modus domineren de beelden

Ter gelegenheid van de grote modemanifestatie Modus in De Balie in Amsterdam eind vorig jaar is een modetijdschrift-achtig boek verschenen met dezelfde titel: Modus. Nulnummer Modus, december 1990. Uitgeverij De Balie - S. Franke, Amsterdam, Hfl. 19, 50-Bfr. 390

Bij het doorbladeren valt vooral de vormgeving op van het tijdschrift op Avenue-formaat (omdat de makers zelf van een 'nulnummer' spreken, houden we het maar op een tijdschrift): vooral de illustraties, de pagina-grote zwartwit foto's krijgen de nadruk. De tekst is gegoten in smalle kolommen met kleine, net leesbare schreefloze letters. Historische beschouwingen, commentaar en analyses wisselen elkaar af. Het is dan ook niet te vergelijken met een willekeurig modeblad, daarvoor zijn de artikelen niet oppervlakkig genoeg. Kees Fens schreef het voorwoord.

Hoofdredactrice Pauline Terreehorst schrijft over 'De pantoffels van Ali Baba; van de jaren 60 naar de jaren 90'. Zij begint bij de filosofen die zich over het verschijnsel mode hebben gebogen, zoals Thorstein Veblen, Roland Barthes en Jean Baudrillard. Deze theoretici, zwaargewichten op hun vakgebied, lijken leken als het op mode aankomt. Veblen en Barthes trekken in feite een lijn: in The Theory of the Leisure Class oordeelt Veblen dat alles wat niet nuttig is als demonstratieve ledigheid beschouwd moet worden en in 'Systeme de la mode' kan Barthes zich vinden in de slotsom dat mode een neurotisch en kinderlijk spel is voor bedreigde dochters in een harteloze westerse wereld.

Volgens Baudrillard in: 'La mode ou la feerie du code' heeft mode de functie van “het immorele en frivole spel met alle mogelijke sociale tekens” Terwijl mode, Terreehorst onderstreept dat ook, zeker in de tijd van Veblen (eind negentiende eeuw) alles te maken had met sociale eisen. Eeuwenlang kleedde men zich vooral uit distinctiedrift en niet om er mooi bij te lopen. (Karel V verbood in de zestiende eeuw bijvoorbeeld de lagere klasse om zijde te dragen). De uiteindelijke democratisering zette eind negentiende eeuw in bij de 'demi-monde': de maitresses die niet tot de aristocratie behoorden, maar opvielen door hun verschijning. Verder schetst Pauline Terreehorst nauwkeurig de geschiedenis vanaf de jaren zestig, en de beslissende invloed die deze periode op het modebeeld heeft gehad.

Jose Teunissen laat met haar vergelijkend warenonderzoek goed zien hoe denigrerend een 'fatsoensblad' als Margriet kan zijn: die gekke, afwijkende mode uit Parijs is leuk voor meiden van twintig, maar toch niet voor onze gezellige, dikke huismoeders thuis, die vooral gewoon horen te blijven.

Inez van Lamsweerde fotografeerde onder meer de creaties van Nederlandse ontwerpers, waarbij de invloed van nestor Helmut Newton merkbaar is: het model bovenop de operatietafel of staand vastgeklemd in een brancard of anderszins in een 'wrede' setting afgebeeld.

Anja Meulenbelt onthult in een column dat haar moeder pas haar grauwe kledingkeuze veranderde nadat haar werkster tegen haar had gezegd: 'Kunt u niet eens wat aardigers aandoen, de mensen denken anders dat ik de mevrouw ben'. Verder in Modus o.a.: Karin Schacknat over de fatale gevolgen voor het milieu van het verven van stoffen en vervaardigen van viscose, en kostuum-conservator Ietse Meij van het Haags gemeentemuseum over de wissel-(en samen)werking tussen mode en beeldende kunst.

'Weg met de onverschillige grijsheid', is het credo van de redactie. Aan de vormgevers van dit mede door C en A, WVC, International Wool Secretariat en de Modam gesponsorde blad heeft het niet gelegen.

    • Hester Oey