In Hilversum is kwaliteit een toevalligheid geworden

Wat is eigenlijk 'publieke omroep'? Bestaat die uit de verzameling uiteenlopende identiteiten die de nieuwe NOS-voorzitter, Max de Jong denkt aan te treffen? Of is hij de pluriforme, complementaire meerwaarde die de Mediaraad er in ziet? Of zou het kunnen zijn dat de publieke omroep uit een omroepbedrijf bestaat, dat - geleid door een Raad van Commissarissen - drie gelijkwaardige netten programmeert en daarmee op een concurrerende markt het hoofd boven water houdt, zoals het organisatiebureau McKinsey wil?

Het antwoord is onbekend, tenzij we bereid zijn het samen te vatten met de naam van dat Gooise dorp dat zijn geografische beperkingen ontsteeg doordat daar - in een ver verleden - alle omroepen domicilie kozen. De Nederlandse publieke omroep heet dan 'Hilversum' en bestaat uit een achttal omroepverenigingen die twee netten bespelen en er met elkaar op toezien dat de door de wetgever gecreeerde 'gezamenlijkheid' die NOS werd gedoopt, alles doet wat zij niet kunnen of willen. Nieuws, sport, evenementen, documentaires, cultuur en sinds een paar jaar ook 'achtergrondinformatie' die geen actualiteit mag heten omdat de omroepen daarvoor zelf wensen te zorgen. Volgens de wet is dit de publieke omroep in Nederland, namelijk een conglomeraat van private ondernemingen zonder winstoogmerk die uitzendrechten hebben omdat zij een geestelijke of maatschappelijk stroming vertegenwoordigen.

Op papier is dit omroepbestel een wonder van verscheidenheid, een uniek verschijnsel dat in deze door commerciele omroep gedomineerde tijd, wereldwijd de aandacht zou moeten trekken. Van iedereen die weten wil hoe de beeldbuis een spiegel van de samenleving kan zijn die elke maatschappelijke, politieke en geestelijke stroming weerkaatst. De beeldbuis als spectrum waarin de pluriformiteit van de samenleving zichtbaar wordt. Zelfs wanneer we vaststellen dat tussen theorie en praktijk een kloof gaapt, zijn de beginselen waarop het omroepbestel is gebouwd, het bestuderen waard. Het historisch gegroeide bestel waarin de vroegere, vooroorlogse zuilen nog zichtbaar zijn, biedt de uiteenlopende identiteiten die De Jong denkt aan te treffen en de pluriforme complementaire meerwaarde die de Mediaraad versterken wil.

De Hilversumse traditie biedt nog meer dan dit theoretisch concept. In de loop der jaren hebben de omroepen aangetoond dat zij in staat zijn met hun tijd mee te gaan. Zij hebben (misschien wel veel beter dan de verzuilde dagbladen) de band met hun achterban weten te behouden en tegelijk de ouderwetse identiteitsbeleving in hun programma's vervangen door een eigentijds aanbod met veel verstrooiing en weinig verzuiling. De toelating van Veronica en de Tros bezorgde het bestel op het juiste moment een op het massapubliek gerichte injectie. Een kabinet viel erover, maar achteraf gezien kan toch eigenlijk alleen maar worden vastgesteld dat de toetreding van deze identiteitsloze nieuwkomers eraan bijdroeg dat het bestel gelijke tred hield met de tijd.

Grote leugen

Deze lofzang is echter een grote leugen. Hilversum heeft zich het afgelopen decennium een kwaliteitsloze januskop aangemeten. Steeds weer werd - met de oude identiteitspapieren op zak - in Den Haag om bescherming gevraagd tegen de boze buitenwereld die gewapend met satellietgeweld en gespekt met reclamegeld, geen enkele grens meer zou respecteren. Maar tegelijkertijd werd deze boze buitenwereld toch via de achterdeur in Hilversum binnengehaald. De financiele middelen die Den Haag verstrekte, werden op commerciele basis aangevuld en de programmagidsen promoveerden tot marketingmiddel omdat de massa zijn identiteitsgevoeligheid met de vuilnisman had meegegeven. Zo verkwanselden de omroepen hun bestaansrecht aan commercie en opportunisme en motiveerden met het argument van die dreigende boze buitenwereld, dat zij meer geld en zendtijd moesten krijgen en dat de voorschriften en regels losser geinterpreteerd moesten worden.

Ondertussen zag Den Haag toe en deed niets. Wel stelden politici op de valreep nog vast dat de oprukkende buitenwacht de Nederlandse omroepen tot kabouters degradeerde die alleen overleven in een reservaat, maar het optrekken van muren hielp toen al niet meer. Het kaboutervolk krabde zijn rug en telde de brokken en huurde vervolgens het organisatiebureau McKinsey in om uit te zoeken op welke wijze overleven toch nog mogelijk was. Den Haag betaalde de kosten; uit de omroepreserve, dat wel.

Het McKinsey-rapport is er nu. Dat door hem schaalvergroting en sanering bepleit zouden was natuurlijk voorspelbaar. Bovendien zou tegelijk met kostenbesparing een programmering worden moeten ingevoerd die meer kijkers trekt en dus meer reclamegeld oplevert. Het enige dat in het advies ontbreekt is een definitie van het verschijnsel 'publieke omroep'. Kwaliteit; dat is de boodschap en daar zal televisiekijkend Nederland van harte mee instemmen want kwaliteit is op de Hilversumse netten een schaars goed geworden, een toevalligheid.

Kwaliteit helpt ongetwijfeld te overleven en zou zeker ook het kenmerk van de publieke omroep moeten zijn die de afgelopen tien jaar zijn best gedaan dat te vergeten. Daarnaast staat de publieke omroep voor iets anders, maar dat is door niemand gedefinieerd. Verscheidenheid hoeft geen eis te zijn die de publieke omroep in zijn eentje waar maakt. De pluriforme pers in dit land wordt weliswaar hier en daar door een subsidie versterkt, maar is op commerciele leest geschoeid. Identiteit lijkt een achterhaald kenmerk nu zo overduidelijk is dat de massa slechts lid wordt van een omroep vanwege de programmagids.

Meerwaarde is echter een te vaag begrip om in een definitie te gebruiken. Complementair is dan het enige dat overschiet. De publieke omroep dient aanvullend te zijn en alle informatie en programma's te brengen die de commercie niet uitzendt omdat ze niet bijdragen aan het imago van de zender of omdat ze onvoldoende kijkers en weinig adverteerders trekken en daarmee niet aan de rendementseisen voldoen.

Eigen benen

Door het weglaten van een inhoudelijke omschrijving van wat publieke omroep is, heeft McKinsey aan deze aanvullende taak geen aandacht besteedt. Het is nu aan de omroepen zelf om deze tekortkoming te corrigeren. Dit deel van de publieke omroeptaak wordt nu door de NOS wordt verzorgd en de NOS zal over eigen zendtijd moeten beschikken om dit in de toekomst te blijven doen, terwijl een grotere onafhankelijkheid en meer geld voorwaarden zijn om het beter te doen dan nu gebeurt.

De omroepen kunnen daarna de fluwelen handschoen van McKinsey schudden en onder leiding van Max de Jong uitgroeien tot het concern dat die adviseur schetst. Het afsplitsen van de strikte publieke omroeptaak biedt hen minder ruimte maar meer mogelijkheden om hun identiteit in een eigentijdse kwaliteitsjas te steken en toe te geven dat alle identiteitskenmerken die in de loop der jaren zijn afgelegd, de conclusie rechtvaardigen dat een aantal omroepen nog nauwelijks te onderscheiden zijn en inderdaad even goed onder een dak kunnen gaan wonen.

Mocht daar een net uit ontstaan dat het royaal van de commercie wint dan dient dat vanzelfsprekend uit het veilige kabouterreservaat te stappen en op eigen benen verder te gaan.

    • Wilma Cornelisse