Getransplanteerd hart wordt tegenwoordig zelden afgestoten

De resultaten van de eerste 89 harttransplantaties die in het Rotterdamse Academisch Ziekenhuis Dijkzigt tussen 1984 en 1989 werden verricht, zijn evalueerd. Die resultaten staan in het proefschrift van B. Mochtar die op 9 januari aan de Erasmus Universiteit is gepromoveerd. Het blijkt dat er van de 89 patienten die een harttransplantatie hebben ondergaan elf zijn overleden, waarvan tien in het eerste jaar na de operatie. Bij een patient is al binnen het jaar een tweede harttransplantatie verricht. Na vier jaar is 88% van de geopereerde patienten nog steeds in leven. Deze mensen zijn ook nog redelijk fit: op de fietsergometer kunnen ze gemiddeld een belasting van 140 watt leveren (normaal 180 watt). Dat is een schitterend resultaat, vooral als je bedenkt dat alleen ten dode opgeschreven mensen voor een harttransplantatie in aanmerking komen.

Toch zijn er nog de nodige problemen op te lossen. Er komen toch nog vaak afstotingsreacties voor. Zo'n afstoting is het gevolg van een immunologische afweerreactie tegen vreemde eiwitten (antigenen) in het transplantaat. Men probeert dit te ondervangen door de antigene eigenschappen van het donor-orgaan zo veel mogelijk te laten passen bij die van de ontvanger ('matching'). Bij harttransplantaties lukt dit 'matchen' meestal niet. Dat komt doordat een donorhart, zelfs in gekoelde toestand, maar een paar uur goed gehouden kan worden. Er is daarom niet genoeg tijd om het weefsel goed te kunnen analyseren. Bij 59 van de 89 patienten kwamen dan ook een of meer acute afstotingsreacties voor.

Zulke afstotingsreacties kan men overigens tegenwoordig met immunosuppressieve geneesmiddelen, zoals cyclosporine A en prednison, veel beter behandelen dan in de tijd dat Barnard de eerste harttransplantaties in Kaapstad verrichtte. Toen overleefde maar 22% van de patienten het eerste jaar en nu is dat 89%.

Toch is het probleem met deze medicijnen nog niet opgelost. Immunosuppressieve middelen hebben namelijk nogal wat bijwerkingen. Ze onderdrukken de afweer van het lichaam en dat leidt tot allerlei infectieziekten en zelfs ook tot een verhoogd risico op kanker op de langere termijn. Verder kan cyclosporine de nieren beschadigen. Het moet dus zeer voorzichtig gedoseerd worden.

Op de lange termijn kunnen er ook nog chronische afstotingsverschijnselen optreden. Daardoor verkalken de bloedvaten van het donorhart in een hoog tempo. Na vier jaar bleek 52% van de patienten hier last van te hebben, terwijl ze toch continu immunosuppressiva hadden gekregen. Dat betekent dat al deze mensen op niet al te lange termijn een nieuw donorhart nodig zullen hebben.

Mochtar spreekt de hoop uit dat 'matching' in de toekomst sneller kan plaats vinden, waardoor dit soort problemen voorkomen kunnen worden. Bijkomend voordeel is dat dan ook het toedienen van immunosuppressiva verminderd kan worden. De complicaties, die daar het gevolg van zijn (zoals infecties en kanker) zullen dan minder vaak voorkomen. De prognose op de lange termijn zou daarmee een stuk verbeteren.

    • Bart Meijer van Putten