Geding over behandeling gehandicapte

UTRECHT, 10 jan. - Een echtpaar uit het Brabantse Someren eist in een kort geding dat artsen in het Utrechtse Wilhelmina-kinderziekenhuis doorgaan met de behandeling van hun 17 maanden oude zoontje, dat ernstig gehandicapt is. Zij hebben het geding aangespannen, omdat zij bang zijn dat de medici bij het optreden van complicaties geen 'levensrekkende handelingen' meer verrichten.

Namens de ouders heeft de raadsman van het echtpaar, mr. A. Moszkowicz, vergeefs geprobeerd artsen en ziekenhuisdirectie op andere gedachten te brengen. Het kort geding dient morgenochtend om half elf voor de rechtbank in Utrecht. Omdat de zaak onder de rechter is, wil de woordvoerder van het kinderziekenhuis, directeur en hoogleraar kindergeneeskunde dr. J. W. Stoop, geen commentaar geven.

Drie maanden na de geboorte kreeg het kind hersenvliesontsteking, waarna het werd opgenomen in een ziekenhuis in Groningen. Daar kwam een aantal afwijkingen bij het jongetje aan het licht, waaronder een geringe groei van de hersenen. De artsen vreesden dat het hoofd van het kind klein zou blijven. Het jongetje herstelde van de hersenvliesontsteking en was een jaar lang thuis.

Pag. 3: .

Gehandicapt kind niet verder behandeld bij complicaties

Het jongetje herstelde van de hersenvliesontsteking en was een jaar lang thuis. Na 15 maanden deden zich bij het gehandicapte kind opnieuw complicaties voor; het had een vochtophoping in het hoofd en werd overgebracht naar het Radboud-ziekenhuis in Nijmegen. De behandelend arts kon zich uit ethische overwegingen niet met verdere behandeling van het kind verenigen. Na overleg met een collega en de ouders werd besloten het kind over te plaatsen naar het Wilhelmina-kinderziekenhuis in Utrecht.

Op 23 december werd het jongetje daar voor het laatst behandeld. Er werd toen een zogenaamde 'drain' ingebracht, een ingreep waarbij vocht uit de hersenen wordt verwijderd. Vervolgens het jongetje een longontsteking op. Hij ligt nu weer op een gewone verpleegafdeling. In een gesprek met de behandelend arts kregen de ouders onlangs naar eigen zeggen te horen dat de behandeling bij eventuele complicaties niet zal worden voorgezet, bijvoorbeeld in de vorm van extra beademing. Volgens de ouders kan dat elk moment nodig zin, reden waarom zij het kort geding hebben aangespannen.

“Als het medisch gezien niet verantwoord is om een patient verder te behandelen”, zegt desgevraagd mr. H. D. C. Roscam Abbing, hoogleraar gezondheidsrecht aan de Rijksuniversiteit Limburg, “en er sprake is van een uitzichtloze situatie, dan ontbreekt in feite de juridische grondslag om verder te behandelen”. “Artsen mogen alleen medisch zinvolle behandelingen uitvoeren”, onderstreept zij.

Moszkowicz stelt daartegenover dat nu niet te bepalen is of de toestand van het jongetje uitzichtloos is. Op een later tijdstip zouden de ouders altijd nog kunnen besluiten om in overleg met het ziekenhuis de behandeling te stoppen, aldus hun raadsman.

    • Ward op den Brouw
    • Onze Willem Offenberg