Frits Staal over de Kleine Letteren in Nederland

Vandaag brengt de commissie-Staal aan de minister van onderwijs rapport uit over de 'Kleine Letteren', talen als Arabisch en Chinees die slechts kleine aantallen studenten trekken.

Het was in 1967 dat Frits Staal de Amsterdamse grachten en de Amsterdamse universiteit achter zich liet. Na een slepend conflict op de wijsbegeerte-faculteit, dat meer ging over de plaats van de asbakken dan over de plaats van Heidegger, vertrok Staal naar Berkeley waar hem het hoogleraarschap in de filosofie en in de Zuidaziatische talen werd aangeboden. In die tijd was Staal beslist niet de enige Nederlandse geleerde, die deelnam aan de brain-drain naar de Verenigde Staten.

Na 23 jaar is Staal, zij het tijdelijk, teruggekeerd naar Amsterdam. Een half jaar geleden heeft hij een opdracht van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen aanvaard, om het universitaire onderzoek en onderwijs in de zogenaamde 'Kleine Letteren' door te lichten. In het verleden heeft Nederland, met name in de orientalistiek, een aantal geleerden van naam voortgebracht, maar de afgelopen decennia zijn de Kleine Letteren door de voortdurende bezuinigingen en de daarbij behorende ruzies en vetes dermate afgekalfd dat er een toestand is ontstaan van onmacht en chaos.

Om de Kleine Letteren in Nederland te redden stelde Staal als voorzitter een internationale commissie samen, bestaande uit: S. A. Bonebakker (van Nederlandse afkomst, maar hoogleraar arabisch in Los Angeles), G. Smith (directeur van de Library of Congress, afdeling Z-O Azie) en H. J. Verkuyl (hoogleraar linguistiek in Utrecht). De commissie trof op de faculteiten veel leed aan, luisterde naar de klaagzang der betrokkenen en stelde vergaande maatregelen voor om de Kleine Letteren binnen tien jaar weer tot een centrum van wetenschap te maken.

Op de Oude Zijds Voorburgwal heeft Staal bij een bevriende uitgever een kamer gehuurd. Aan de overkant branden de rode lichten van het erotisch inferno, maar eenmaal binnen wordt men plotseling geconfronteerd met een manshoog Boeddha-beeld - de ogen geloken en de handen sereen gevouwen. Staal heeft het beeld bij een Amsterdamse uitdragerij gekocht en het zal over enkele dagen worden verscheept, als Staal weer naar Californie vertrekt.

Het rapport dat, als alles goed gaat, vandaag aan de minister is aangeboden, heeft het volgende motto meegekregen:

'Baby Krishna is buiten gaan spelen, moeder, en hij heeft vuil gegeten'.

'Is dat waar, Krishna? '

'Nee, wie heeft dat gezegd? '

'Je broertje Balarama'

'Niet waar moeder, kijk in mijn mond'.

'Doe je mond open!'.

Hij opende zijn mond

en zij stond sprakeloos

binnenin het universum

Staal: “ Dat leek ons een passend motto voor de Kleine Letteren. Krishna's moeder doet de mond open van haar baby en zij ziet het heelal. Als je in de mond van de Kleine Letteren kijkt, zie je daarachter de grootste en oudste beschavingen van Azie, en dus ook van het heelal”.

Vanwaar dan die naam 'Kleine' Letteren?

'' Die naam is ook helemaal verkeerd. Zij worden klein genoemd, omdat zij altijd relatief kleine aantallen studenten hebben aangetrokken. Zo behoren Russisch en Tsjechisch tot dezelfde talenfamilie, maar vanwege het aantal studenten is het Russisch bij de Grote Letteren en het Tsjechisch bij de Kleine Letteren ingedeeld. Dat is natuurlijk een arbitrair criterium. Het heeft sowieso iets potsierlijks dat in Nederland talen als het Japans en het Chinees tot de Kleine Letteren worden gerekend. Die benaming komt ook alleen maar in Nederland voor. Een enkele keer spreken de Duitsers wel eens van kleine Facher, maar dat doen zij dan met de hand voor de mond. Wij hebben ook nog geprobeerd die benaming in het Engels te vertalen, maar dat werd steeds belachelijker''.

Zijn de Kleine Letteren in Nederland verwaarloosd?

'' Zij zijn inderdaad in de grond geboord. Door allerlei omstandigheden hebben zij zeer geleden. Het conflict is ontstaan, toen men heeft gezegd dat de universiteiten ook een beetje nuttig moeten zijn. De universeiten moeten tegenwoordig inspelen op de markt van vraag en aanbod. Maar de universiteit heeft ook de taak wetenschap te bedrijven. Onafhankelijk van de vraag wie er binnenkomt, dient zij ook zelf te bepalen welke terreinen van onderzoek belangrijk zijn. Die situatie heeft tot een budgetaire spanning geleid''.

In de orientalistiek, die ook bij de Kleine Letteren hoort, heeft Nederland in het verleden een vooraanstaande rol gespeeld. Wat is daar nog van over?

'' Wij hebben unieke bibliotheken. Er zijn collecties en manuscripten. Er zijn ook nog goede geleerden. In principe zijn in Nederland alle voorwaarden aanwezig om op dit terrein wetenschap van het hoogste niveau te bedrijven. Maar door de voortdurende afbraak, verliest Nederland steeds meer respect in de wetenschappelijke kringen''.

Kunt u een voorbeeld van die afbraak geven?

'' Er zijn talloze voorbeelden, maar laat ik er twee geven. Nog niet zo lang geleden is het Instituut voor kunstgeschiedenis en archeologie van Zuid en Zuid-Oost Azie opgeheven. Dat was een voortreffelijk, internationaal georienteerd instituut. Dat is van de kaart geveegd, omdat er te weinig beginnende studenten waren. Heel treurig. Nu kun je dat soort vakken ook nergens meer in Nederland studeren''.

'' Schrijnend is ook het geval van prof. J. W. de Jong. In 1965 is hij als een van de eersten uit Nederland weggegaan. Hij was in Leiden benoemd als jong en briljant hoogleraar in het Boeddhisme en het Tibetaans. Hij onderhield een enorme correspondentie en leidde een internationaal tijdschrift, maar hij kreeg geen eigen kamer en ook geen eigen secretaresse. Op een gegeven moment kwam er een Japanse student bij hem studeren, die heel goed bleek. De Jong wilde die Japanner als zijn assistent benoemen, maar ook dat werd hem geweigerd. Er was geen geld voor. Hij was op zijn gebied een van de topmensen in de wereld, maar hij had in Leiden geen eigen assistent, geen eigen secretaresse en geen eigen kamer. Toen kwam er een aantrekkelijke aanbieding uit Australie en die heeft hij natuurlijk geaccepteerd''.

'' De Jong leeft nog en ik heb hem hierover een brief geschreven. Daar heeft hij niet op geantwoord, kennelijk omdat hij niet meer op die periode terug wil kijken, maar door een toeval heb ik onlangs zijn Japanse student ontmoet. Die is nu in Tokio professor in het Tibetaans geworden. Hij wist zich de affaire-De Jong nog goed te herinneren. Hij had zelfs alle kranteknipsels daarover bewaard en die heeft hij mij opgestuurd''.

'' Dat bleek leerzame lectuur, want uit de artikelen viel op te maken dat de toenmalige minister Bot ook al een commissie had ingesteld, die moest nagaan waarom zoveel vooraanstaande Nederlandse geleerden naar het buitenland gaan. Op mijn beurt ben ik gaan onderzoeken wat er van die commissie terecht is gekomen. Er was zelfs een voorzitter, prof. Hofstee. Maar niemand, noch op het ministerie, noch op de Academie voor Wetenschappen, heeft het rapport van die commissie kunnen vinden. Verdwenen, weg, of misschien nooit geschreven, wie zal het zeggen''.

'' Nogal deprimerend, als ik even aan mijn eigen werk van de afgelopen maanden denk, maar nog deprimerender was de hoon die De Jong over zich heen kreeg, toen hij bekend maakte dat hij Leiden zou verlaten. Er is toen een filosoof opgestaan, Beerling, die gezegd heeft: 'Ach, zo'n catastrofe is het vertrek van De Jong voor Leiden niet. Wij moeten geen martelaar van hem maken, want zo goed is hij nou ook weer niet'. Dus toen De Jong eindelijk wegging, kreeg hij ook nog een paar trappen na. Terwijl, wie is Beerling vergeleken bij iemand als De Jong? ''.

'' Wat De Jong overkwam is eigenlijk heel typerend voor het universitaire systeem in Nederland. Er zijn natuurlijk ook wel goede mensen gebleven, maar als zo'n vak door bezuinigingen in de verdrukking komt, dan ligt het voor de hand dat de besten weggaan en de middelmatige blijven zitten. Met het vertrek van De Jong is weer een studiegebied voor Nederland verloren gegaan, want zo gaat dat. Terwijl De Jong met enige medewerking een instituut van internationale allure had kunnen opbouwen''

De commissie-Staal heeft de vakgroepen geinventariseerd om inzicht te krijgen in de kwaliteit van het wetenschappelijk werk. Ik neem aan dat u niet overal met gejuich bent ontvangen.

'' Nee, veel medewerkers vonden dat niet leuk. Ten eerste hebben zij al honderden commissies, rapporten en ministeriele visitaties over zich heen gehad. Voortdurend is alles over hoop gehaald. Telkens kwam er een nieuw directief, vaak tegengesteld aan het vorige. De ene dag heette het 'taakverdeling en concentratie', de volgende dag 'krimp en groei' en dan bestond er ook nog zoiets geheimzinnigs als het 'Plaats-Geld-model' - een kakafonie van de meest vreselijke termen.

'' Er zijn verkenningsrapporten geschreven en er is ook nog een commissie geweest, waarvan de voorzitter als enige een afwijkend standpunt innam. Die viel - typisch Nederlands - zijn eigen commissie af. Daardoor zijn veel medewerkers in de Kleine Letteren ontzettend paranoide geworden. Soms ook terecht, want zelfs tijdens de werkzaamheden van mijn commissie zijn allerlei mensen tamelijk willekeurig ontslagen. Onlangs nog heeft de VU in Amsterdam prof. Daiber met ontslag bedreigd, een van de beste arabisten van ons land''.

Hoe is de relatie tussen de Nederlandse universiteiten onderling?

'' Er leven verschrikkelijk veel ruzies en vetes op de Nederlandse universiteiten. Een deel van onze opdracht hebben wij al vervuld door eenvoudig de mensen met elkaar in contact te brengen. Het bleek een normaal verschijnsel dat mensen, die hetzelfde vak doceren ruzie met elkaar hadden, zonder dat zij elkaar ooit hadden ontmoet. Ruzie maken met iemand die je niet kent, dat is natuurlijk ook het gemakkelijkste. Maar breng je de opposanten persoonlijk met elkaar in contact, dan blijkt soms dat de ene partij de andere heel anders had voorgesteld. Maar ja, zodra het er dan weer op aan kwam, begonnen zij elkaar weer lelijke brieven te schrijven.''

'' Ruzie ontstaat door schaarse middelen. In dat geval kan een zekere taakverdeling zinnig zijn, maar er ontstaat een strijd zodra daar concreet over moet worden nagedacht. Er zijn ontzaglijk veel afspraken gemaakt, waaraan de universiteiten zich doorgaans niet houden. Jullie nemen die taak op je en wij deze, maar even later vervullen beide partijen zonder overleg toch weer beide taken. Dat is onredelijk in een klein land.''

'' Zo wordt de indologie zowel in Leiden als in Utrecht beoefend. Die plaatsen liggen dicht bij elkaar, dus het ligt voor de hand om tot een zekere taakverdeling te komen. Maar ja, die mensen kunnen niet met elkaar samenwerken. Hetzelfde geldt voor Utrecht en Nijmegen op het gebied van het arabisch en de islamstudie. Vooroordelen en ruzies staan een samenwerking in de weg. Er is iemand bij geweest, die riep alleen maar: 'Het zou een ramp zijn als mijn vak ook aan een andere universiteit op hoog niveau wordt gedoceerd.' Die man leeft in een klimaat van: weinig studenten betekent weinig geld, weinig boeken, weinig dit, weinig dat, weinig alles. Dus moest die andere faculteit worden uitgeschakeld om zelf zo veel mogelijk studenten in te lijven. Die houding heeft natuurlijk weinig met wetenschapsbeoefening te maken.''

Zou het voor de coordinatie niet veel beter zijn alle Kleine Letteren onder te brengen in een universiteit?

'' Daar zijn argumenten tegen. Dat is slechts mogelijk als er in Nederland een ideale universiteit zou zijn. Leiden heeft met zijn bibliotheken een uitstekende infrastructuur, maar de ideale universiteit is het toch niet. Er werken uitstekende geleerden, maar er zitten ook middelmatige. En wanneer je veel middelmatigen hebt, is het moeilijk om beteren te krijgen, want middelmatigen worden het bij een aanstelling altijd snel eens over andere middelmatigen.''

In welke opzichten verschillen de Amerikaanse en de Nederlandse universiteiten van elkaar?

'' Er zijn in Amerika ongeveer tien universiteiten die uitsteken boven de rest. Die verschillen in twee opzichten evident van de Nederlandse universiteiten. In de eerste plaats probeert men in Amerika over het algemeen de man of vrouw te benoemen, die het beste wetenschappelijk onderzoek heeft verricht. Dat is in Nederland zeker niet altijd de regel. En dan wordt in Amerika natuurlijk veel minder vergaderd. Het vergaderen in Nederland is werkelijk een epidemische ziekte, waar ik wel eens gedeprimeerd van ben geworden.''

'' Er wordt hier eindeloos doorgezanikt. Mensen voelen zich in Nederland snel gepasseerd als er niet met hen gepraat wordt. Over komma's en andere details kan eindeloos gezeurd worden. En als je dan vraagt of zij het misschien zelf willen opschrijven hoe het probleem beter geformuleerd kan worden, zeggen ze: 'Oh nee, daar hebben wij geen tijd voor.' En vervolgens praten zij weer een uur. Ik schat dat zeker driekwart van de vergadertijd aan de Nederlandse universiteiten kan worden geschrapt, zonder dat iemand daar iets van merkt.''

Zo'n ministeriele commissie, die een hele studierichting doorlicht, wordt in Nederland snel vergeleken met de Joodse Raad.

'' Maar wij zijn geen commissie die voorstellen doet om mensen te ontslaan. Integendeel, onze opdracht is juist om na te gaan hoe de Kleine Letteren beschermd kunnen worden tegen verdere afkalving. Wij willen een structuur aanbrengen in de ongeordende massa, die wij hebben aangetroffen. Er bestaan op de wereld ongeveer 5200 talen, die natuurlijk niet allemaal in Nederland bestudeerd kunnen worden. Maar het gaat niet zo zeer om talen en letteren, als wel om culturen. De wetenschappelijk interessante letteren zijn daarom niet klein en ook geen letteren. Vandaar dat het nu niet de bedoeling is dat een handige rekenaar op het ministerie zegt: de commissie-Staal vindt taal A belangrijker dan taal b, dus moet taal B maar weg. Zo is het rapport niet geschreven. Er moet nu eens geen geld af. Er moet geld bij.''

Hoe meet je het belang van een taal?

'' Daar zijn verschillende maatstaven voor. Het Baskisch bij voorbeeld is weliswaar maar een heel klein taaltje, maar het is bijzonder interessant omdat het met geen andere taal verwant is. Het Baskisch is onder de talen het zoogdier dat ook eieren legt. Iets soortgelijks gaat op voor het Hottentots, dat gebruik maakt van klikklanken, die in geen enkele andere taal voorkomen. Maar het Swahili ontleent zijn belang aan het grote verspreidingsgebied, waarin het wordt gesproken. Van het Fries en het Zuidafrikaans kun je zeggen dat zij in Nederland gedoceerd behoren te worden, want als wij dat niet doen, wie doet het dan wel?''

Maar een grote prioriteit geeft de commissie aan de Azie-studies.

'' Nederland heeft op dit gebied een grote traditie. De hele infrastructuur van bibliotheken, musea en universiteiten is aanwezig. Wij zouden internationaal op het hoogste niveau mee kunnen doen.

Het rapport spreekt over een laatste kans.

'' Verschillende Europese landen hebben Azie ontdekt. Zij hebben ondervonden wat de concurrentie betekent met landen als Japan, Taiwan, Singapore en Zuid-Korea. In de toekomst zullen ook Thailand, Indonesie en India dezelfde economische successen behalen. Dat besef is nu ook doorgedrongen in de Europese landen. De Fransen richten zich op de Azie-studies, de Engelsen en de Duitsers. Als Nederland niets doet, zal ook die ontwikkeling ons land voorbij gaan.''

'' In dit opzicht is de positie van Nederland nog gunstig. Zowel de Fransen, als de Engelsen en de Duitsers willen een centrum voor Azie-studies bij voorkeur in hun eigen land. Maar als dat niet lukt dan liever in Nederland dan bij de grote rivalen. Daarin ligt onze kans, maar dan moet er wel hard gewerkt worden om de traditie van orientalistiek in stand te houden.''

'' Als men het erover eens is dat dit een kwestie is van nationaal belang, dan moet men er tenminste 1% van het totale universiteitsbudget voor over hebben. Dat is ongeveer een verdubbeling van wat er nu voor de Kleine Letteren wordt uitgegeven. Het komt neer op twintig miljoen gulden extra per jaar.''

Heeft de commissie voor dat streven voldoende medewerking vanuit het ministerie gekregen?

'' Er is serieuze belangstelling, maar ik heb ook een paar onaangename ervaringen opgedaan, waarvan ik niet precies weet of het nu incompetentie of gewoon tegenwerking is geweest. Mijn indruk is dat er ook op het ministerie een groot aantal fracties bestaan. Ik wilde gaan praten met de Franse minister van Onderwijs en Wetenschap, maar de brief met het verzoek daartoe werd in zo'n slecht Frans vertaald dat hij later moest worden ingetrokken.''

'' Iets soortgelijks overkwam mij in Indonesie. Ik wilde over de zaak met twee Indonesische ministers praten en had daarvoor een introductie vanuit Nederland nodig. Maar die brief is nooit uitgegaan en toen ik twee maanden later in Indonesie kwam, wist men daar van niets. Ik had de Indonesische ministers al geschreven dat Ritsen mij zou introduceren. Als dat niet gebeurt, word je al gauw als een opschepper en een leugenaar beschouwd. Ik heb dan ook geen officiele toegang tot die Indonesische ministers gekregen.''

Twee jaar geleden is ook een hoogleraar uit Amerika overgekomen om aanbevelingen te doen voor de reorganisatie van de theologiefaculteiten. Hij is teruggegaan naar Amerika en daarna schijnt zijn rapport in een la te zijn verdwenen.

'' Zoiets heb ik ook gehoord. Het rapport is niet eens in een la verdwenen. Zij hebben precies het tegenovergestelde gedaan van wat was aanbevolen. Dat is natuurlijk geen opwekkend vooruitzicht, als je zelf een rapport aan het schrijven bent... Maar het is een beetje een kwestie van alles of niks. In principe ga ik er vanuit dat de minister de aanbevelingen van het rapport volgt. Goed, hij kan zeggen: 'Ik heb geen potje van 40 maar wel van 36 miljoen.' Dan zou ik antwoorden: 'Dank u wel, minister.' Maar dat zou ik eigenlijk liever niet zo in de krant willen zien, want weet u hoe het in Nederland gaat. Als je zegt ook genoegen te nemen met 36 miljoen dan krijg je tenslotte maar 28 miljoen. En als je dat ook accepteert, krijg je er maar twaalf. Nee, als men aan de Kleine Letteren enig belang hecht, moet men er de volle mep van 40 miljoen voor over hebben.''

'' Het is natuurlijk niet alleen een zaak die de minister aangaat. Het is een politieke kwestie, waarover ook het parlement, de universiteiten en de media zich moeten uitspreken. Wij hebben daarom ook een comite van waakzaamheid, een soort lobby, in het leven geroepen dat bestaat uit drie Nederlandse geleerden, een Fransman en een Engelsman. Dit comite zal brieven schrijven, zodra de minister in gebreke blijft.''

'' Achter de aanslag op de Kleine Letteren gaat ook een culturele tegenstelling schuil. Tegenwoordig vindt men de beta-vakken veel belangrijker dan de alfa-vakken. Ik ben er een voorstander van om op grote schaal natuurwetenschappelijk werk te doen, maar de verhouding van 9: 1 ten gunste van de beta-vakken lijkt mij enigszins overdreven. In een land als Amerika is het nog niet zo erg als ergens iets wordt geschrapt. Er blijft veel over. Maar in Nederland leidt iedere bezuiniging tot een nieuwe afbraak.''

Na 23 jaar heeft u voor langere tijd weer in Nederland gewoond. Wat is u persoonlijk het meest opgevallen?

'' Als ik met Nederlanders praat, voel ik altijd een zekere afstand. Ik spreek nog altijd Nederlands en ik weet in Amsterdam heel goed de weg. Als iemand mij vraagt naar de Korsjespoortsteeg dan wijs ik hem de eerste straat rechts en de derde links. Maar toch zit er een kwart eeuw Californie tussen Nederland en mij. Ik ben in die jaren heel anders gaan denken, maar toch doen de Nederlanders gewoon of ik er nog bij hoor. Dat is heel aardig van de Nederlanders, maar mij geeft het soms wel eens het gevoel dat ik niet transparant kan zijn - dat ik ze voor de gek houd. Ik ben een vreemdeling geworden, die niet als zodanig wordt herkend.''

    • Max Pam