Frankrijk zoekt opnieuw 'derde weg'

“De gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek moet alomvattend zijn. Haar doel moet zijn de wezenlijke belangen en de gemeenschappelijke waarden van de Unie en haar lidstaten te behartigen, haar veiligheid te versterken, de samenwerking met andere landen te bevorderen en bij te dragen aan de vrede en de ontwikkeling in de wereld.”

Zo luidt de omschrijving van wat inhoud en doel van de buitenlandse en veiligheidspolitiek van het Europa van de Twaalf zouden moeten zijn volgens de gezamenlijke Frans-Duitse boodschap van 6 december verleden jaar gericht aan de voorzitter van de Europese Raad.

De Europese Raad kwam ruim een week na dit schrijven bijeen om onder meer het startschot te lossen voor een Intergouvernementele Conferentie over de Politieke Unie, het verband waarin de twaalf ledenlanden van de Europese Gemeenschap de communauteit willen uitbreiden tot alle denkbare terreinen van politiek. In zijn conclusies van deze bijeenkomst stelde “het voorzitterschap” vast dat de Europese Raad het toejuicht “dat er wat de grondbeginselen betreft een ruime mate van overeenstemming bestaat over de toekomstige taak van de Unie om in een gestaag en evolutief proces en op uniforme wijze, aspecten van het extern en veiligheidsbeleid te behandelen op basis van in het Verdrag (van de Gemeenschap, JHS) vastgelegde algemene doelstellingen”.

Hoe kon het, gezien deze beloftevolle woorden, dat afgelopen vrijdag de ministers van buitenlandse zaken met verhitte koppen tegenover elkaar stonden? Ook voor deze bewindslieden geldt kennelijk dat een ieder voor het goede is, maar dat de meningsverschillen ontstaan zodra het goede moet worden omschreven. De twistappel was de politiek in de Golf, of, nader aangeduid, de vraag of de Twaalf zich bij hun ouvertures richting Bagdad al dan niet afhankelijk zouden maken van de totstandkoming van een onderhoud tussen de Amerikaanse en Iraakse ministers van buitenlandse zaken. De meerderheid was ervoor dat niet te doen teneinde door middel van een eigen diplomatiek initiatief de positie van Europa als politieke entiteit acterend op het wereldtoneel relief te geven. Nederlanders en Britten vreesden op die manier een verbreking van de Atlantische solidariteit en het geven van het verkeerde signaal aan Saddam Hoessein.

Duitse bemiddeling bracht de antagonisten weer op een lijn: de Iraakse ambtgenoot werd naar Luxemburg uitgenodigd voor een gesprek in de verwachting dat het Amerikaans-Iraakse onderhoud spoedig zou plaatshebben. Dat laatste onderhoud was op die manier niet langer een voorwaarde maar een vanzelfsprekendheid. Wonder boven wonder, de inkt van de gemeenschappelijke tekst was nog niet droog, liet Bagdad weten dat de Europese verwachting niet van werkelijkheidszin gespeend was geweest, de volgende woensdag (gisteren dus) zou de ontmoeting met minister Baker in Geneve plaatshebben. Teleurstellend was dat Irak vervolgens liet weten dat geacht de opstelling van bepaalde Europese landen een reis naar Luxemburg niet mogelijk was. Een Europese vertegenwoordiging zou daarentegen weer wel in Bagdad kunnen worden ontvangen.

De kwaliteit van het Iraakse inspelen op de interne Europese troebelen bleek omgekeerd evenredig aan de kwaliteit van de Europese eensgezindheid. De episode rechtvaardigt het plaatsen van een vraagteken bij de betekenis van de hooggestemde verklaringen van afgelopen december. Er is geen sprake van kwade wil, maar wel van diepgewortelde historisch bepaalde verschillen ten aanzien van de vraag wat een gemeenschappelijke buitenlandse en veiligheidspolitiek zou moeten zijn. Wat dat betreft is er een continentale, binnenwaarts gerichte en een maritieme, naar buiten gerichte traditie. Nederland en het Verenigd Koninkrijk staan in deze laatste, die sinds de Tweede Wereldoorlog een Atlantische signatuur draagt.

De continentale attitude heeft zich in het naoorlogse tijdperk ontwikkeld als een variant binnen de Atlantische verbondenheid, niet in tegenstelling daarmee. Onder de gegeven omstandigheden zou dat laatste ook niet mogelijk en denkbaar zijn geweest. Maar na het wegvallen van de Sovjet-dreiging en na de voltooiing van de Duitse rehabilitatie krijgt de variatie op het bekende thema een ruimere bandbreedte. De behoefte, de drang een eigen Europees gezicht te tonen wordt sterker en een crisis als die in de Golf vormt een gerede gelegenheid waarvan gebruik kan worden gemaakt. Frankrijk doet in de beste gaulliaanse stijl een gokje met eigen diplomatie, Rome en Madrid kunnen hun fascinatie daarmee niet onderdrukken. De bondsrepubliek leeft in de overtuiging dat zij in de Atlantische taakverdeling de handen vol heeft met het behartigen van nieuwe evenwichten op het Europese continent zelf, zowel in oostelijke als in westelijke richting.

De episode doet wat de intenties van Parijs betreft denken aan de zogenaamde neutraliteitspolitiek van De Gaulle gedurende de Vietnamoorlog. Daartoe veronderstelde de toenmalige Franse president het bestaan van een derde weg tussen de Indochinese communisten en de aan Washington gelieerde regimes in Saigon en Vientiane. De Cambodjaanse vorst Sihanouk was een van de pionnen op het Franse bord en de hele onderneming was gericht op het tonen van een eigen Frans gezicht aan de grote mogendheden en het bevorderen van een zekere Franse diplomatieke terugkeer naar verloren gegaan koloniaal territoir. De gaullistische politiek veroorzaakte veel ongenoegen in het Washington van de Democraten Kennedy en Johnson en het zou tot het presidentschap van de Republikein Nixon duren alvorens de Amerikanen een zekere gelaten geamuseerdheid met betrekking tot de Franse houding zouden weten te ontwikkelen.

Het is vooral voor Den Haag zinvol met deze Amerikaanse 'sophistication' rekening te blijven houden. Al in december liet minister Baker in Brussel weten niets te willen inbrengen tegen eigen Europese initiatieven richting Bagdad zolang er maar geen verwarring zou worden gesticht over de vastberadenheid van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties en van de anti-Saddam-alliantie in de Golf. De Amerikaanse regering heeft er duidelijk behoefte aan Europese initiatieven en demarches vanuit Europa te blijven beschouwen als onderdeel van het gezamenlijke optreden tegen Bagdad. Het is niet uitgesloten dat het begrip voor Latijns-Europese 'eigenaardigheden' in Washington groter is dan in Den Haag.

Betekent dit nu dat Nederland zich terwille van de lieve vrede en van de schone Europese schijn maar bij voorbaat moet neerleggen bij wat het beschouwt als riskante operaties en strijdig met het eigen belang. Uiteraard niet. Zoals Fransen en Duitsers recht hebben op een eigen prioriteitsstelling, heeft Nederland dat evenzeer. Adviezen aan de Nederlandse regering om zich verder maar niets meer te verbeelden zijn dan ook defaitistisch. Maar juist als Nederland zijn belangen op een Atlantische schaal wil blijven wegen, heeft het zijn eigen begrijpelijke gepikeerdheid te wantrouwen. Het kiezen van posities die andere lidstaten de kans bieden Nederland de Europese maat te nemen, kunnen een korte wijle bevredigend zijn, maar dragen de diplomatieke erosie in zich.

    • J.H. Sampiemon