De cultus rondom een autodestructieve Bengaal

Een ster gehuld in wolken (Mege dhaka tara). Regie: Ritwik Ghatak (1960). Met: Supriya Choudhury, Anil Chatterjee. Ttash, een rivier (Titash ekti nadir naam). Regie: Ritwik Ghatak (1973). Met: Rosy Samad, Kabari Choudhury. E mineur (Komal gandhar). Regie: Ritwik Ghatak (1961). Met: Supriya Choudhury, Anil Chatterjee.

Amsterdam, Rialto; Rotterdam, Lantaren-Venster; Utrecht, 't Hoogt.

Het Soeterijntheater vertoont de andere zeven films van Ritwik Ghatak. Zo 13, 16u: Nagarik - De burger (1952); ma 14, 20.30u: Ajantrik (1958); zo 20, Bari theke paliye - De weggelopen jongen (1959); zo 20, 20.30u, Komal gandhar - E mineur (1961); ma 21, 20.30u, Titash ekti nadir naam - Titash, een rivier (1972); zo 27, 16u, Subarnarekha - De rivier Subarna (1962); ma 28, 20.30u, Jukti takko ar gappo - Redenering, argument en verhaal (1974).

De acht speelfilms van de Bengaalse regisseur Ritwik Ghatak (1925-1976) zijn de laatste jaren het object geworden van een ware cultus op internationale festivals. Toen Rotterdam vorig jaar een compleet retrospectief van zijn werk vertoonde, meldden zich nog voor aanvang van het festival ook enkele Nederlandse fans. Heddy Honigmann, Kees Hin, Mark-Paul Meijer en Peter Delpeut maakten de uit bewondering geboren korte film Ghatak en Willem Jan Otten schreef de al even enthousiaste inleiding voor het boekje 'Ritwik Ghatak - De vlammende tijger', uitgegeven door het Filmfestival Rotterdam en de distributieafdeling van het Nederlands Filmmuseum-IAF.

Nu drie van Ghataks films, aan de vooravond van het volgende Rotterdamse festival, eindelijk uitgebracht worden, kan ik de opwinding maar beperkt delen. Toegegeven, ik heb een blinde vlek voor bijna alle Indiase films. Het werk van Satyajit Ray en Mrinal Sen, de intellectuele tegenhangers van de commerciele massaproduktie van gezongen melodrama's, heeft me ook nooit erg kunnen bekoren. Er is kennelijk iets in die cultuur dat me het zicht beneemt op de eventuele kwaliteiten, misschien wel ergernis over de alles doordringende lijdzaamheid van de personages.

Aan de andere kant is de bijzonderheid van de stijl van wat algemeen als Ghataks meesterwerk wordt beschouwd, Een ster gehuld in wolken (1960), zo onloochenbaar dat ik voor het eerst bij een Indiase film momenten van cinematografische verrukking meemaakte. Het openingsbeeld van een reusachtige boom, een liefdesscene aan de rivier overstemd door een op de achtergrond voorbijrazende trein (de geluidsband is bij Ghatak altijd geraffineerd), een koket voor de spiegel zichzelf bekijkend meisje: het zijn stuk voor stuk de tophits uit de filmkunst van Ghatak, zoals ik al begrepen had uit de film van de Nederlandse fanclub. Daarentegen is de in Bangladesh opgenomen en geproduceerde film Titash, een rivier (1973) een weinig meeslepende verzameling neorealistische vignetjes uit een vissersdorp. Zowel Ghatak zelf als de Engelse criticus Derek Malcolm (in het meest toegankelijke van de vele over de regisseur geschreven artikelen, Sight en Sound, zomer 1982) menen dat hij met zijn door alcohol en tuberculose gesloopte lichaam beter niet aan die onderneming met een onervaren team had kunnen beginnen.

De stilistische kwaliteiten van Ghatak, die ook houdt van 'deep focus'-fotografie, zijn verrassend voor een man die zichzelf bij voorkeur niet als filmmaker definieerde. De in Dacca geboren Bengaal, die vanaf de scheiding tussen Oost- en West-Bengalen bij de onafhankelijkheid van Brits-Indie in 1947 in Calcutta verbleef, begon zijn loopbaan als schrijver en medewerker van de Indian People's Theatre Association, een propagandaorganisatie van de Communistische Partij van India, die Ghatak tot zijn dood trouw bleef. In een van zijn laatste interviews zei de regisseur: “Als ik terugkijk moet ik zeggen dat ik geen grote liefde voor het medium film heb opgevat. Wat ik wil is alleen maar datgene overbrengen, uitschreeuwen, wat ik voel over het leven om me heen. En de cinema is daar nog steeds het ideale medium voor, omdat je er miljoenen mensen mee bereiken kunt. (... ) Als het zover is laat ik de cinema voor wat hij is, en stap ik over naar de televisie”. Lenin had het niet beter kunnen zeggen, evenmin als Ghataks filmische idolen Eisenstein en Chaplin, die hij veel hoger schatte dan bij voorbeeld Hitchcock.

Ook het gebruik van muziek en andere melodramatische middelen passen in Ghataks behoefte om toch vooral het populaire publiek niet van zich te vervreemden. Hij werd inderdaad het object van een diepe verering door het volk en de (marxistische) regering van West-Bengalen. De laatste zorgde in Ghataks nadagen zelfs voor lijfwachten die hem van de drank moesten zien af te houden. De autodestructieve kanten van zijn karakter zorgden ervoor dat men Ghataks uitspraken vooral minder serieus moet nemen dan zijn eigenlijke werk.

Voor een eerste kennismaking is Een ster gehuld in wolken het meest geschikt. Niet alleen is de vormgeving interessant, de personages zijn min of meer herkenbaar en universeel. De berooide, uit Oost-Bengalen naar Calcutta gevluchte familie van een statige, enigszins verwarde schoolmeester, bestaat onder meer uit een flierefluiterszoon met zangambities, een zorgzame, de kost winnende dochter, een wulpse meid - die prompt de verloofde van haar degelijke zus inpikt -, en een strenge, chagrijnige moeder. De bouwstenen voor een familie-melodrama liggen dus voor het oprapen, en als je de zang en muziek wegdenkt, zou het bijna een Sirk-film kunnen wezen.

Als er nu nog nooit iemand van Ghatak gerept zou hebben, dan had je bijna van een ontdekking kunnen spreken. Maar onbevooroordeeld naar een Ghatak-film kijken is nauwelijks meer mogelijk. Er is al zoveel gedweept met zijn nagedachtenis, dat een helder zicht danig belemmerd wordt.

    • Hans Beerekamp