Stadsbestuur: IJ-oeverproject tot A'damse proporties terugbrengen

AMSTERDAM, 9 jan. - “De tijd van bezinning is voorbij, de ontwikkeling van de IJ-oevers gaat door”, zei Amsterdams burgemeester E. van Thijn in zijn nieuwjaarstoespraak. En maandag riep de verantwoordelijke wethouder, J. Saris (ruimtelijke ordening), de ambtenaren van de Federatie Grondbedrijf, Ruimtelijke Ordening en Projektmanagement op tot daadkracht. De tijd dringt.

Voor de zomer moet de gemeente Amsterdam het Rijk, dat de IJ-oevers in de Vierde Nota Extra voor de Ruimtelijke Ordening (Vinex) als 'sleutelproject' heeft aangewezen, antwoord geven op een paar cruciale vragen. De belangrijkste betreft de financien. Als er geen particuliere beleggers zijn die via een publiek-private-samenwerkingsovereenkomst geld in het project willen steken, zal ook de rijksoverheid afhaken. In november liet B. Westerdijk, Rijkscoordinator van de Vinex-sleutelprojecten, weten dat Amsterdam nog heel wat huiswerk moest doen om de plannen op tijd helder te krijgen.

“We kunnen de antwoorden geven”, zegt Saris desgevraagd. “We kunnen het Rijk een redelijke mate van zekerheid geven dat het doorgaat, een idee geven van de plannen, van de grootte van de investeringen en waar het geld op langere termijn naar toe gaat.” Deze maand wordt een onderzoek afgerond van accountantskantoor KPMG naar de bereidheid van de potentiele 'private partners', de financiers, om mee te doen. In de windstilte na de gemeenteraadsverkiezingen van 1990 en het forse verlies van de PvdA, de grote initiator van de ambitieuze plannen, hadden zij weliswaar een afwachtende houding aangenomen, maar weggelopen zijn ze nog niet.

Met Nationale Nederlanden en de pensioenfondsen ABP en PPGM zal naar verwachting binnenkort een studie-overeenkomst worden gesloten: “Een papier dat moet leiden tot de volgende stap”, waardoor ieders rol en verantwoordelijkheid duidelijk moet worden. “Zij willen de spaarcenten van de burgers goed en zeker beleggen, en ook over 15 jaar nog profijt van hun investering kunnen trekken. Wij willen ontwikkelen”, aldus Saris. “Het moet niet zo zijn dat de financiers de krenten uit de pap kunnen vissen.”

Wat de plannen betreft, die zijn in de loop der jaren volgens Saris als een “kasplantje onder de grote pretenties doorgebogen”. De enorme verwachtingen moeten worden teruggebracht tot “Amsterdamse proporties”. Het project zal in thematische en topografische moten worden gehakt, die wat gemakkelijker te overzien zijn dan tot nu toe het geval was. Daardoor zal het realiteitsgehalte stijgen en ook de oorspronkelijke hoofddoelstelling weer in zicht komen: versterking van en aansluiting op de binnenstad, in economisch en stedebouwkundig opzicht.

Deze maand wordt ook een onderzoek afgerond van advies- en organisatiebureau Van der Bunt naar de structuur van het project. In afwachting van de resultaten daarvan (en misschien ook wel anders dan Van der Bunt het wil) zijn er al enkele maatregelen genomen. Ir. van Hattum werd uit zijn functie als coordinator van de projectgroep ontheven. Stedebouwkundige ir. A. Oskam, directievoorzitter van de Federatie, is aangewezen als extern en strategisch manager van het project, terwijl H. van Vliet (volgens insiders “een organisator eerste klasse” met onder meer de stadsvernieuwing van de Pijp op zijn conto) directeur wordt van het projectbureau.

Blijkens een maandag door Saris aan de raadscommissie ruimtelijke ordening ingediend 'spoorboekje' zal de gemeenteraad zich in mei en juni kunnen buigen over een herziene nota van uitgangspunten voor het IJ-oevergebied. Deze nota werd een jaar geleden “voor kennisgeving” aan de raad voorgelegd. Dit jaar moeten er daadwerkelijk besluiten worden genomen die voorjaar 1992 moeten leiden tot het vaststellen van bestemmingsplannen. Oskam: “In het debat verleden jaar werden er 130 vragen gesteld en een aantal moties aangenomen. De antwoorden en de moties zijn in de 'NVU+' verwerkt. Verder zit er een totale uitwerking in van het ondergronds vervoer (het doortrekken van de oost-westlijn bijvoorbeeld en de plaats waar een ondergronds busstation kan komen), een verhaal over de aanpak van de openbare ruimte en over de toepassing van kunstuitingen.”

Ook het voorschrift van het programakkoord, dat het bouwvolume ondergeschikt maakt aan de stedebouwkundige kwaliteit, zou er in verwerkt zijn. Een Manhattan of Baltimore aan het IJ past niet bij de Amsterdamse maat. Gemeenteraadslid B. Holvast (Groen Links): “Dat zinnetje uit het programakkoord zal een veel uitgesproken bijbeltekst worden.” Het is echter de vraag of de beleggers niet een andere bijbel lezen. Zo zei de voorzitter van de Amsterdamse Kamer van Koophandel onlangs dat de gemeente de wensen van het bedrijfsleven niet kan verontachtzamen.

Die wijzen nog steeds niet in de eerste plaats naar kantorenbouw aan het IJ, maar naar elders in de Amsterdamse agglomeratie: de Haarlemmermeer en richting het Gooi. Dat betoogt D. A. Rompelman, hoofdredacteur van het blad VastGoedMarkt. Volgens hem heeft de locatie IJ-oever nog nauwelijks gescoord bij beleggers en ontwikkelaars. Om dat te bereiken moet het gebied in elk geval een veel kwaliteit krijgen en van internationale allure zijn. Een aantal gemeentelijke plannen, zoals het opzetten van een Oosterse markt aan de Westerdoksdijk, zou daar niet in passen.

Deze week spreken Saris en Rijkscoordinator Westerdijk over de verdere gang van zaken. In afwachting daarvan wil Westerdijk slechts zeggen: “Amsterdam heeft duidelijk de door mij toegeworpen handschoen opgepakt.”

Intussen lopen er al een paar projecten (zoals het Wetenschapsmuseum) en is het IJ een van de mogelijke locaties voor de vestiging van het ANB-AMRO-hoofdkantoor. Hoe kun je die 'pilotprojecten' beoordelen, zolang er nog geen totaalplan is? Wie garandeert dat er kwalitatief mooie gebouwen komen te staan?

Saris wijst op de studie van de Dienst Ruimtelijke Ordening over de gewenste kwaliteit van de openbare ruimte, die in de NVU+ wordt verwerkt. “Er komt geen ontwerp dat niet past binnen onze ideeen. De beleggers-ontwikkelaars moeten die van ons overnemen en de welstandsbeoordeling moet steviger gemaakt worden. Dat zou voorwaarde bij de gronduitgifte moeten worden.” Volgens Saris is het ook mogelijk met nadere voorschriften te komen ten aanzien van de te gebruiken materialen, zoals bijvoorbeeld spiegelglas. De spiegelglazen gebouwen die er al staan, van NOG-verzekeringen en de Kamer van Koophandel, worden door vriend en vijand van het IJ-oeverproject lelijk gevonden. Saris: “We zullen moeten kiezen voor architectuur die kwaliteit heeft. Dat moet ook de vakwereld zien, al zijn ze het zelf met die keuze misschien niet eens.”

    • Ite Rümke