Schilder Donkersloot ondersteund door eigen mecenas; Kunst op krediet

Vroeger was het als kunstenaar niet iets om je over te schamen: je had een gulle opdrachtgever, een goedgevige weldoener of desnoods een rijke maitresse.

“De burger gebruikt zijn tijd om geld te verdienen. De kunstenaar verdient zijn geld om zich tijd te verschaffen”, heeft Adriaan Morrien eens beweerd. Dat geld kreeg de kunstenaar van het mecenaat en bij tijd en wijle leverde hij een artistieke tegenprestatie. Zo zag de (rijke) burger zowel zijn tijd als ook zijn geld goed besteed. Bang om zijn onafhankelijkheid te verliezen, huivert en walgt de moderne kunstenaar van deze ouderwetse vorm van kunstsponsoring. Hij gaat liever op een eigentijdser manier naar de filistijnen: de staat heeft met stipendia en opdrachten de rol van het mecenaat overgenomen, afgeleverde werken komen in vochtige kelders terecht.

Althans, zo denkt kunstschilder Peter Donkersloot (31) erover, die het ook om persoonlijke redenen altijd heeft vertikt een beroep te doen op de staat. Vier jaar geleden erfde hij een flinke som geld, die er meteen in de kroeg doorheen werd gejaagd. Donkersloot: “Dan is het a-moreel om ook nog eens je hand op te houden voor steun.” Makkelijker gezegd dan gedaan; de financiele wanhoop nabij stelde Donkersloot een advertentie op: Kunstenaar zoekt weldoener, stond daarin. “Dat was vlak voordat ik Willem leerde kennen”, herinnert de schilder zich.

“Ja, hij was goed in de war”, knikt Willem, voluit Willem M. van Roij. De kunstenaar ligt als een Oblomov languit op de bank, terwijl zijn mecenas hem een goed glas wijn aanrijkt en toast met rauwe zalm serveert.

We zitten op de zolderkamer van de schilder, een schamel ingericht hok, dat niets verraadt van zijn huidige welstand. Het aftandse meubilair, de bric-a-brac, de lege flessen op de grond, een schildersezel in een vertrekje verderop; het lijkt wel of we op bezoek zijn bij een van de hongerkunstenaars uit de boeken van Nescio. De schilder verontschuldigt zich: zijn officiele domicilie is tegenwoordig Spanje, daar is het wat netter, maar voor geen stuiver luxer: “Als ik maar kan schilderen.”

Dat kan dus nu op een zorgeloze manier dank zij de ontmoeting ( “heel ordinair, in de kroeg” ) met Willem van Roij, die goede zaken deed als belastingconsulent, maar een paar jaar geleden de wereld van het driedelig grijs gedag zei: “Ik heb vijftien jaar de hoer gespeeld, een kantoor gehad met vijftig man personeel, flink geld verdiend, daar niet van, maar op een gegeven moment kwam het anarchisme naar boven.” En hij kwam de hopeloze schilder Peter Donkersloot tegen, die hij nu fourneert met een ruime maandelijkse toelage, exclusief materiaalkosten, tickets naar Spanje en drankjes en dineetjes. “Maar dat vind ik alleen maar leuk. Ik mag graag in het gezelschap van Peter zijn. 't Is een bohemien, hij leeft in een heel ander wereldje dan dat ik gewend was.”

Voor kunst had Van Roij altijd al een zwak. Hij verzamelt al jaren schilderijen uit de Haagse School. Een veilige belegging. Maar is het niet onverstandig van deze doorgewinterde zakenman om te investeren in een jonge, beginnende kunstenaar? Van Roij: “Ik hoef ook niet snel resultaat te boeken. Het is eerder Peter die ongeduldig is. In het begin wilde hij meteen exposeren en zoveel mogelijk verkopen, het liefst flink onder de prijs. Zonde, dacht ik, die jongen is meer waard. Het eerste wat ik tegen hem gezegd heb is: jongen, ga jij nou eerst eens een jaartje lekker schilderen, jezelf zijn, dan regel ik intussen wel het een en ander. Als hij een schilderij moet vervoeren is hij twee dagen van slag. Het is een erg onhandige jongen.”

De schilder laat zich door zijn big spender nog eens een glas wijn inschenken. Hij kan inmiddels tevreden terugblikken op een uitverkochte expositie in Den Haag, tot 15 januari hangen zijn geabstraheerde landschappen in galerie Nieuw Perspectief op het Amsterdamse Rokin. Door de connecties van Van Roij liggen exposities in Spanje, Belgie en Zwitserland in het verschiet.

Donkersloot: “Al die arrogante galeriehouders met hun rode brilmonturen, ik heb er niets meer mee te maken, Willem regelt alles voor me.”

Wat de zakelijke kant aangaat spreekt het tweetal het liefst van 'een samenwerking'. “Stel ik krijg ruzie met hem, dan moet ik ook van hem af kunnen”, zegt Donkersloot. En Van Roij over zijn goodwill en krediet: “Ik zie het als een ondernemingsplan op vriendschappelijke basis. Ja, het is natuurlijk ook business, waarmee voor mij in the end natuurlijk wel iets te verdienen moet zijn. Veel kunstenaars worden niet ontdekt omdat ze geen goede promotion hebben. Je kunt het ook zo zien: met Peter probeer ik een schilder tijdens zijn leven groot te maken.”

Promotion, business, heeft de schilder met dit snelle zakenjargon van zijn mecenas annex manager dan geen moeite en voelt hij zich niet aangetast in zijn artistieke waardigheid?

Donkersloot: “Mijn werk lijdt toch niet onder de manier van verkopen. Trouwens als een kunstenaar eenmaal doorgebroken is en aan de top komt, krijgt hij automatisch te maken met een manager of zakenwaarnemer. Kijk naar Rob Scholte. En zolang ik bepaal wanneer een schilderij de deur uitgaat is er niets aan de hand. Wat er daarna mee gebeurt... of het nou bij een golfclub of een galerie terechtkomt, het zal me een biet wezen.”

Willem van Roij: “Nou ja, ik zou het toch wel mooi vinden als er straks iets van je wordt aangekocht door een museum. Dat zie ik als de kroon op mijn werk.”

Op de vraag of Van Roij niet liever wat meer 'grip' op zijn levend investeringsobject wil hebben, ontstaat een kortstondige botsing tussen Donkersloots kunstziel en de handelsgeest van zijn manager. Van Roij: “Ik vind dat Peter mooie portretten kan maken, maar dat soort opdrachten vormen niet zijn lievelingsbezigheid.”

Donkersloot: “Dat houdt op een gegeven moment op, het is een kunstje. Ik ben nu bezig aan een portret van professor Haspels, de hof-gynaecoloog. Die heeft een mooie kop, dat doe ik met plezier. Als ik die scheiding mag maken wil ik best nog eens zo'n opdracht accepteren. Maar Willem kwam laatst met de sportman van het jaar, daar zag hij handel in.”

Van Roij: “Daar kun je commercieel een verhaal omheen maken: portret, zeefdrukjes, posters. Hij ziet dat niet zitten.”

Donkersloot: “Het is oneerlijk, ik heb niets met sport, ik vind het ordinair... en Willem, je hebt zelf eens gezegd: als je eenmaal bij Jan des Bouvrie hebt gehangen, dan kom je nooit meer in een museum.”

Van Roij: “Typisch Peter, hij zou een goeie boterham kunnen verdienen, maar hij geeft er niets om. Is niet erg, het gaat immers om hem.”

Expositie 'Nederland volgens Donkersloot' in galerie Nieuw Perspectief t-m 15 jan. (alleen op werkdagen)