Nog niet van krediet verzekerd

Het verschil tussen exportverzekering en kredietverzekering wordt een stuk kleiner wanneer de Europese binnengrenzen inderdaad verdwijnen. Veel van wat nu export heet, en Nederland exporteert vooral naar andere EG-lidstaten, wordt dan gewone kredietverzekering.

De Nederlandse Credietverzekering Maatschappij (NCM), die anders dan de collega's in de meeste andere EG-landen zowel export- als gewone kredietverzekering doet, wil graag beide houden. De NCM kampt immers met het euvel van de kleine thuismarkt.

Wie als de NCM negentig procent van zijn thuismarkt vast in handen heeft, moet wel bezorgd zijn over de Europese eenwording, die dat monopolie ondermijnt en de grenzen open stelt voor buitenlandse indringers. Vooral de korte termijn verzekeringen voor eenvoudige exporttransacties zijn een willige prooi voor de vele Europese verzekeraars, die vooral loeren op de grote ondernemingen, die nu eenmaal het meeste exporteren

Of de NCM voor dit verhaal een willig oor zal vinden bij de banken en verzekeraars die haar aandeelhouders zijn, is de vraag. Die meenden immers al te moeten fuseren tot global players en horen dan ook eigenlijk in de kredietverzekering internationaal met elkaar te concurreren in plaats van gezellig met zijn allen in een nationale instelling. Of die aandeelhouders de Britse expansie van de NCM willen betalen, is dus nog maar de vraag. Maar misschien is de door de NCM geuite belangstelling voor de Britse collega slechts een symbolisch gebaar, in de wetenschap dat dat lekkers toch niet te krijgen is.

HARDE GULDENS

Het Brits pond is gammel omdat het wat hoog het EMS is binnen gekomen. De toekomst van de Italiaanse lire is duister omdat de gemiddelde looptijd van de Italiaanse schuld zo kort is. De financieringsbehoefte van de Nederlandse overheid is dit jaar 45 miljard (een keer alle Robeco-fondsen). Die van de Italiaanse overheid is bijna 800 miljard gulden. Hoewel pond en lire extra mogen schommelen zou het verbazing wekken als er dit jaar opnieuw geen herschikking in het EMS komt.

Bij financien droomt men er - in de rustpauzes bij de voorbereiding van de tussenbalans - al van in zo'n geval de gulden meer te laten stijgen dan de D-mark, die immers onder druk staat door de mogelijke inflatoire kosten van de Duiste eenwording.

Dat zou dan het tegenovergestelde zijn van wat er in 1983 gebeurde. Toen bleef onder minister Ruding de gulden achter bij de opwaardering van de D-mark. Dat heeft Nederland geweten. Dat loslaten van de koppeling heeft het bedrijfsleven en de overheid miljarden gekost omdat de rente door de sindsdien door de markt geeiste risico-premie relatief hoog moest blijven. Ruding zelf wilde toen niet achter blijven bij de Duitsers, maar boog voor de combinatie van Lubbers, Braks, de Koning en Van den Broek. Als Kok straks het omgekeerde weet te bewerkstelligen hebben we niet alleen een sterkere gulden, maar ook een sterkere minister van financien.