Grondwet helder over oorlogssituatie

DEN HAAG, 9 jan. - In de Nederlandse constitutionele verhoudingen staat de vraag of in een concrete situatie een in-oorlog-verklaring door het Koninkrijk geoorloofd is ter beoordeling van regering en volksvertegenwoordiging. Dit is niet zomaar een gratuite wijsheid maar een officieel regeringsstandpunt, neergelegd in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer op 17 oktober 1980 bij een desbetreffend voorstel tot grondwetsherziening in eerste lezing. Het ging hier om het tegenwoordige grondwetsartikel 96, dat in 1983 het oude artikel 59 verving. Inhoudelijk had deze vervanging overigens niet veel om het lijf: het Koninkrijk wordt niet in oorlog verklaard dan na voorafgaande toestemming van de Staten-Generaal, zoals de Grondwet reeds sinds 1922 bepaalt, en de Staten-Generaal beraadslagen en besluiten daarover in verenigde vergadering, zoals de Grondwet sinds 1953 expliciet vermeldt.

Gezien het bovenstaande is grote twijfel denkbaar aan de ontvankelijkheid van een kort geding tegen de Staat der Nederlanden, waarin van de regering zou worden geeist, eerst de Eerste en Tweede Kamer te raadplegen alvorens Nederland deelneemt aan een eventuele oorlog met Irak. Rechterlijke inmenging in de verhouding tussen regering en Staten-Generaal is moeilijk denkbaar. Het behoort tot de bevoegdheid van de regering, het land in oorlog te verklaren dan wel te verklaren dat een oorlog beeindigd is, waarbij de regering zonder medewerking van de Staten-Generaal niet veel kan beginnen, ofschoon parlementaire toestemming niet is vereist wanneer overleg met het parlement wegens een feitelijk bestaande oorlogstoestand niet mogelijk is gebleken (Nederland-Japan, december 1941).

Het is intussen de vraag wat precies onder 'oorlog' moet worden verstaan. Een definitie zou kunnen zijn: 'het gewelddadig uitgevochten conflict tussen staten of andere politiek georganiseerde eenheden'. Slaat het begrip 'oorlog' in artikel 96 van de tegenwoordige Grondwet ook op politie-acties of vergelijkbare militaire interventies onder de vlag van de Verenigde Naties, waarvan wij lid zijn?

Verder komt de vraag aan de orde hoe de verhouding is tussen artikel 96 en artikel 90 van de Grondwet ('de regering bevordert de ontwikkeling van de internationale rechtsorde'), al kan hieruit niet worden geconcludeerd dat het bijzondere grondwettelijke grenzen zou stellen aan de bevoegdheden van de Staten-Generaal. De ministeriele verantwoordelijkheid voor het buitenlands beleid blijft bestaan. Zeker is overigens wel dat verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties boven de Grondwet uitgaan.

In de editie-1953 van het staatsrechthandboek van Van der Pot lezen wij dat 'het in de toekomst kan gaan om de vraag wat het gevolg is van bepaalde onzerzijds aanvaarde internationale verplichtingen. In het antwoord op die vraag dienen de Staten-Generaal gekend te worden, hetgeen het nieuwe artikel 59 thans (dus in 1953 - schr.) tot uitdrukking brengt'. In deze lijn geredeneerd zou een verenigde vergadering van de Staten-Generaal krachtens het tegenwoordige artikel 96 bij een onverhoopt conflict in de Perzische Golf voor de hand kunnen liggen - een zeer bijzondere parlementaire gebeurtenis.

Bij het begin van de Koreaanse oorlog in 1950 vormde een desbetreffende regeringsverklaring onderwerp van beraadslaging in de Tweede Kamer op 30 juni, gevolgd door een debat in de Eerste Kamer op 18 juli. De Grondwet schreef toen nog niet met zoveel woorden een verenigde vergadering voor, nog even afgezien van de vraag of Nederland rechtstreeks dan wel als lid van de Verenigde Naties zich in oorlog ging bevinden met Noord-Korea.