Diplomaten rekenen op nieuwe initiatieven

GENEVE, 9 jan. - In Geneefse diplomatieke kringen varieren de speculaties over de afloop van de Golfcrisis, net als elders in de wereld, van onverbloemd pessimisme tot extreem ongeloof dat de Westerse wereld het tot een oorlog zal laten komen. Over een slotsom zijn de meeste zegslieden het echter eens: onafhankelijk van de uitkomst van de beslissende gespreksronde tussen de Amerikaanse en Iraakse ministers van buitenlandse zaken vanmorgen in Geneve zijn VN-diplomaten ervan overtuigd dat het laatste woord over de Golfcrisis hiermee nog lang niet is gezegd. Als de ontmoeting, zoals verwacht, kort duurt en zonder resultaat wordt afgebroken, krijgen andere diplomatieke initiatieven een kans, voordat het tot een gewapend treffen zal komen, menen zij.

Westerse diplomaten die bij het ontwapeningsoverleg van de Verenigde Naties veelvuldig contact hebben met Iraakse delegatieleden geloven niet in een diplomatiek compromis in Geneve. Zij menen dat de ontmoeting tussen Baker en Aziz vooralsnog geldt als een photo-opportunity, een gelegenheid voor Amerikaanse media om het thuisfront te melden hoever president Bush bereid is te gaan om het conflict langs vreedzame weg op te lossen: de extra mijl voor vrede die Washington bereid is af te leggen.

Als argument voor deze stelling voeren zij Bakers weigering-bij-voorbaat aan om na 'Geneve' het gesprek in Bagdad voort te zetten. Net als Amerikaanse en Iraakse delegatieleden sluiten zij “verrassingen op het laatste moment” niet uit, maar waarschijnlijker achten zij dat de bijeenkomst uitmondt in een dialoog tussen doven.

“Baker heeft het over appels, Aziz spreekt over peren”, zo verduidelijkt een ingewijde. Hij schetst het vermoedelijke verloop van het gesprek als volgt: Baker zal onverzettelijk de Amerikaanse eis voor een onvoorwaardelijke terugtrekking uit Koeweit presenteren. Hij doet dat uit naam van de internationale gemeenschap.

Aziz probeert op zijn beurt het conflict te regionaliseren. Hij wil het hele Midden-Oosten, met andere woorden ook het Israelisch-Arabische conflict, bij de besprekingen betrekken. Voor James Baker is dit onaanvaardbaar. Elke poging beide geschillen te combineren wijst Washington met nadruk af.

De vraag die diplomaten zich hier stellen is: waarom klampt Saddam Hussein, een onwaarschijnlijk pleitbezorger voor de Palestijnse zaak, zich vast aan een vreedzame oplossing van alle problemen in het Midden-Oosten, terwijl hij acht jaar lang de aandacht voor Israel in de Arabische wereld heeft afgeleid met zijn oorlog tegen Iran.

Palestijnse bronnen halen een recent gesprek aan tussen Saddam Hussein en een Algerijnse afvaardiging. Daarin zou de Iraakse president gezegd hebben: “Ik heb twee mogelijkheden: of ik word gedood door Amerikaanse bommen, of Iraakse officieren maken me van kant. In het eerste geval word ik beschouwd als martelaar, in het tweede geval als een verrader. Wanneer ik mij onvoorwaardelijk terugtrek uit Koeweit, staat mij ongetwijfeld het tweede scenario te wachten.”

Niet dat de militaire top in Irak zo gebeten zou zijn op handhaven van de bezetting van Koeweit, zo voegen deze zegslieden er aan toe, maar eerder omdat de Iraakse leider bij de militaire elite niet onverdeeld populair is. Wanneer hij Koeweit verlaat kan zijn gezichtsverlies voor hem fataal zijn. Haalt hij echter, als voorvechter van de Arabische zaak, punten binnen, dan wacht hem ongetwijfeld de bewondering van eigen manschappen, en neemt de kans op een coup in Bagdad af.