Banken rest nog maar een ding: geen bank meer zijn

Amerikaanse banken willen meer armslag om te kunnen concurreren met andere leveranciers van kapitaal. De banken willen zo 'breed' mogelijk zijn. De vraag rijst of zij nog wel bestaansrecht hebben.

Het argument om het Amerikaanse bankwezen te dereguleren en de banken en hun nevenbedrijven toe te staan hun werkterrein te verbreden, luidt - als ik het goed heb begrepen - als volgt: bedrijven en consumenten die kapitaal nodig hebben, kunnen uitstekend terecht bij investeringsmaatschappijen, financieringsbedrijven en andere niet-bancaire financiele instellingen.

Voor liquide betalingsmiddelen kan men terecht bij beleggingsfondsen die op de geldmarkt opereren, credit-cardbedrijven en andere - niet-bancaire - financiele instellingen. Als gevolg van de concurrentie van zulke instellingen slagen de banken er onder de huidige regelgeving niet in genoeg inkomsten binnen te krijgen om het hoofd boven water te houden. Laat staan om het extra kapitaal aan te trekken dat op het ogenblik de controlerende instanties eisen. Daarom moeten banken de kans krijgen hun inkomsten te vergroten door activiteiten te ontplooien waarvan ze nu nog verstoken zijn.

Deze redenering roept onvermijdelijk de vraag op: 'Wie kan dat wat schelen? ' Als andere instellingen zo goed in staat zijn financiering en andere betalingsmiddelen te verschaffen, wie kan het dan - afgezien van de banken zelf - nog wat schelen of de banken blijven bestaan? De roep om hervorming van het bankwezen komt niet van bedrijven of afnemers in eigen land, of van consumenten of spaarders die vinden dat ze onder het huidige systeem niet aan hun trekken komen.

Zeker, de banken bezitten tal van monumentale panden en hebben tal van directeuren in dienst met een goede neus voor het financieringsbedrijf. We kunnen alle begrip opbrengen voor de wens om hun panden niet leeg te laten staan en het aanwezige talent niet verloren te laten gaan. Maar de banken hebben zelf de mogelijkheid daaraan iets te doen. Het enige dat ze hoeven te doen, is geen bank meer te zijn en te worden wat ze maar willen.

Ze kunnen het uithangbord met 'Bank' weghalen en vervangen door een bord met 'Zonder Garantie van of Controle door Enige Overheidsinstantie'. Ze kunnen hun spaarders meedelen dat ze over tien dagen met ingang van middernacht aandeelhouder zijn van de beleggingsmaatschappij XYZ. Dan zijn ze verlost van de restrictieve bankregels. Het zou handig zijn als ze toegang hadden tot het clearingsysteem van de Federal Reserve (het Amerikaanse stelsel van centrale banken), dat niet al te veel overheidsbemoeienis met zich meebrengt; voor die service zouden ze dan kunnen betalen. Desnoods zouden ze hun eigen clearingsysteem kunnen opzetten. Ten slotte werd het onderlinge betalingsverkeer ook geregeld toen er nog geen Federal Reserve was en toen de moderne communicatie en transporttechnologie nog niet bestonden.

Pag. 15: .

Banken kiezen zelf voor gebondenheid

Als alle banken ophielden bank te zijn, zouden ze dan worden gemist? Dat is een wat vreemde vraag voor een econoom. Als ze onmisbaar zijn, zullen niet alle banken als zodanig verdwijnen. Als ze onmisbaar zijn, verlenen ze kennelijk diensten waarvoor men bereid is te betalen. En als banken als enige zulke diensten verlenen, zullen er zeker banken blijven bestaan.

Banken verlenen inderdaad zulke diensten en wel omdat ze door de overheid worden gecontroleerd en gegarandeerd. Ze voorzien in veilige en liquide spaarmogelijkheden voor mensen die niet zelf in staat zijn of geen zin hebben om de soliditeit van een financiele instelling te beoordelen. Ze voorzien tevens in een geldverkeerssysteem dat overal zonder meer wordt geaccepteerd.

(Hierbij zij opgemerkt dat als ik een cheque uitschrijf op mijn rekening bij een beleggingsmaatschappij dat in feite een cheque op een bankrekening is)

Clienten betalen banken voor hun service door genoegen te nemen met een lager rendement (rente minus onkosten) dan ze op andere inlegvormen zouden krijgen. Daaruit putten de banken hun inkomsten.

Als de banken onder de huidige regelgeving niet genoeg inkomsten krijgen om de kosten te dekken, zullen ze hun clienten meer laten betalen door de uit te keren rente te verlagen en de verwerkingskosten te verhogen. Een deel van de spaarders zal dan weglopen naar beleggingsmaatschappijen of andere instellingen. Uiteindelijk zal een bepaald aantal tegoeden overblijven waarvoor de spaarders bereid zijn de kosten te betalen, inclusief de kapitaalkosten. Dat zal het benodigde aantal tegoeden zijn. Theoretisch kan dat nul zijn, maar waarschijnlijk is dat niet. Betoogd wordt dat als banken hun werkterrein zouden mogen uitbreiden - als ze zouden diversifieren - ze meer inkomsten zouden krijgen zonder een vergroting van de risico's. Zodat ze hun clienten meer zouden kunnen betalen en dus meer tegoeden zouden kunnen behouden.

Sinds ik voorzitter ben geweest van een pensioenfonds ben ik gaan twijfelen aan de waarde van diversificatie. Wij hadden professionele beleggingsadviseurs in dienst die eens in de zoveel maanden steevast met een nieuwe beleggingsmogelijkheid kwamen aanzetten met het argument dat diversificatie goed voor ons was. Op een goed moment bracht ik daar tegen in dat dit kennelijk eindeloos kon doorgaan en dat ik al haast geen bezwaar meer kon maken als ze vonden dat we een klein deel van ons kapitaal moesten beleggen in de fabricage van uniformen voor het leger van de 'zuidelijken'. (Het pensioenfonds was in een van de zuidelijke staten gevestigd.)

Diversificatie wil niet zeggen dat alle voorzichtigheid overboord kan worden gezet. Als het de banken vrijstaat te investeren in wat ze maar willen, vormt dat nog geen garantie voor een verstandige diversificatie of voor enig andere vorm van diversificatie. Het geeft het management slechts meer keuze aan investeringsmogelijkheden. Het probleem is dat het management andere belangen heeft (een grotere bereidheid om risico's te nemen en een voorkeur voor resultaten op de korte termijn boven de lange termijn) dan de spaarders of de overheidsinstanties die garant staan voor het ingelegde geld. De regels zouden eigenlijk bedoeld moeten zijn om de spaarders te beschermen tegen de mogelijk tegenstrijdige belangen van de directie. Daarin schieten deze regels wellicht te kort of schieten ze hun doel voorbij. Maar hoewel a priori aangetoond zou kunnen worden dat de belangen van de directie er bij gediend zijn - of althans niet geschaad worden als die meer bewegingsvrijheid krijgt - kan dat niet worden gezegd van de belangen van de spaarders.

Maar deze vraag behoeft niet echt een antwoord. Er zijn genoeg financiele instellingen die deze bewegingsvrijheid wel hebben en zoveel kunnen diversifieren als ze maar willen. Dat is juist wat de banken dwars zit. Maar, zoals ik al eerder zei, de banken kunnen zich bij die instellingen scharen door op te houden bank te zijn. Als ze de spaarders er dan van kunnen overtuigen dat ze een groter rendement kunnen bieden zonder dat de risico's groter worden, zullen ze genoeg klandizie krijgen. En als ze alle spaarders kunnen overtuigen, zullen ze alle klandizie krijgen.

Het kenmerk van banken is dat ze gebonden zijn aan regels en kunnen bogen op een garantie van de overheid. Het aardige van banken is dat ze geen bank hoeven te zijn en dus ook niet aan regels gebonden of gegarandeerd hoeven te zijn. De markt zal ons leren of deze aan regels gebonden, gegarandeerde instellingen enig nut dienen waarvoor klanten bereid zijn te betalen.

The Wall Street Journal

    • Herbert Stein