Voorbeeldfunctie

In mei van het vorig jaar reed een zekere Tony Adams ergens in Engeland tegen een boom. Hij kwam er lichamelijk heel goed af, maar de naderbij gesnelde politie testte het alcoholgehalte van zijn bloed en constateerde dat de man heel wat had gedronken toen hij met zijn auto van de weg raakte. Dezer dagen is Tony Adams door de rechter veroordeeld en als hij geen bekend voetballer was geweest, zou slechts een enkel haantje er naar gekraaid hebben. Maar hij was achttienvoudig international en aanvoerder van het roemruchtige Arsenal. De straf die hij kreeg bedroeg negen maanden gevangenis, waarvan vijf voorwaardelijk, zodat hij vier maanden lang een half uurtje per dag op de troosteloze binnenplaats van zijn penitentiaire inrichting mag proberen zijn conditie althans enigszins op peil te houden. Of hij kans ziet dat ook met zijn moreel te presteren, moet worden afgewacht. Je kunt verwijzen naar eigen schuld en de daarbij passende dikke bult.

Interessant werd het geval-Adams pas toen de rechter hem verweet dat hij in zijn voorbeeldfunctie heeft gefaald. Een aanvoerder van Arsenal, bovendien veelvuldig international, wordt geacht in zijn leefwijze een voorbeeld voor de jeugd te zijn. Dat geldt niet louter voor topsporters, maar zeker ook voor andere mensen die in het nieuws zijn. Ministers bijvoorbeeld, die met een glaasje op een betonnen paaltje over het hoofd zien. Of ergens op de Veluwe de richting foutief beoordelen en in een droge sloot belanden. Noblesse oblige, maar bekwaamheid garandeert op zichzelf geen edele inborst. George Best werd jarenlang door de gemiddelde jonge Brit op handen gedragen, maar hij bleef er niet voor van de fles af. Kort geleden verscheen hij nog alcoholisch verhit in een bekende tv-show van de BBC. Een prima speler in het veld, een fuifnummer erbuiten, net zoals in vroege tijden bij ons Bakhuys. Wat bovendien frappeerde: zij bleven goed presteren, zodat de opmerking van de Franse dichter Rabelais, dat een gezonde ziel niet in een droog lichaam kan wonen wellicht enig waarheidsgehalte bezit.

Ik herinner me een opmerking van Hans van Breukelen, toen die had kennisgemaakt met de voetbaltoestanden in Engeland. In het vliegtuig, op weg naar een wedstrijd op het Europese continent, constateerde de serieuze sportman Van Breukelen dat tenminste de helft van het elftal knap angeheitert in de stoelen hing. Nu was onze landgenoot gecontracteerd door Nottingham Forest, terwijl juist Arsenal vanouds een zekere reputatie van royaal drankgebruik had opgebouwd. Omstreeks 1935, toen Herbert Chapman het grote Londense voetbalbastion leidde, was de clubleiding een keer verplicht om een officiele verklaring uit te geven waarbij met klem werd ontkend dat de aanvaller Jim Logie een drankprobleem had. Om de weelde van populariteit te kunnen dragen moeten de benen sterk zijn. Toch kunnen we redelijk veilig aannemen dat omstreeks negentig procent van de Nederlandse voetbalprofs leven volgens het huisje-boompje-beestje-principe. Zij wonen in een keurig rijtjeshuis, hebben vrouw en kind(eren) en steken hun gepantoffelde voeten gaarne onder eigen tafel. Ook al is het een trend om in gezelschap af en toe op te scheppen over de avondjes stappen met kornuiten. Geen stoeipoes in de buurt en slechts drie glaasjes bier van gering alcoholgehalte verhinderen dan niet dat er bravoureuze taal wordt uitgeslagen.

Dat wil overigens niet zeggen, dat men zich algemeen bewust is dat men een voorbeeldfunctie te verrichten heeft. Vraagt het John McEnroe en hij zal schamper lachen. Connors maalde er vroeger evenmin om, maar werd als dertiger wijzer - misschien ook slimmer. De gemiddelde voetbalprof wenst niet op moraliteit te worden aangesproken. Daar is de scheidsrechter voor. Maar misschien vragen wij te veel. Guy Thijs, de Belgische bondscoach, die zelden ver uit de buurt van een sigaar en een glas whisky was, stond een jaar of wat geleden zijn ploeg een hele nacht feesten toe, aangezien men zich zojuist had geplaatst voor de finale van het Europees kampioenschap. Iedereen dronk wat hij wilde. Wilfried van Moer verkoos whisky, Erwin Vandenbergh cola. Thijs vond er dit van: “Na momenten van grote spanning is ontspanning aan de toog beter dan woelen in bed”. En Carmiggelt schreef ooit, dat de geheelonthouders gelijk hebben maar dat alleen de drinkers weten waarom.