Uitzinnige staaltjes van muzikale malligheid

The Spike Jones Story, Ned. 3, 21.04-21.54u.

Zo'n nummer als Cocktails for two, zijn grootste hit, begon heel ingetogen. Een charmezanger met een uit een roze tube geknepen microfoonstem (zoals Carmiggelt dat noemde) en een strijkje dat daarbij roomzacht de verdroomde melodie ten gehore bracht. Maar na het eerste couplet barstte het spektakel los. Opeens ging het lied in een hogere versnelling en werd ieder woord van de tekst geillustreerd: er klonk glasgerinkel, er koekoekte een koekoeksklok, er hikte en plofte van alles - een hilarische heksenketel, maar strak in het ritme. De auditieve en visuele chaos die de Amerikaanse orkestleider Spike Jones (1911-1965) creeerde, was gebaseerd op een strikte discipline.

Jones was drummer, zo is vanavond in de aan hem gewijde documentaire uit zijn eigen mond te horen. Op een keer zag hij hoe Stravinsky diens suite De vuurvogel in New York dirigeerde met krakende schoenen aan; ze knersten mee op het ritme. Dat bracht hem op het idee het ritme in de hits van de dag te vervangen door geluidseffecten. In het begin van de jaren veertig verwierf hij er nationale - en later internationale - faam mee. Niet alleen romantische nummers als I'm in the mood for love ondergingen die bewerking, maar ook standaardwerkjes uit het klassieke repertoire zoals de ouverture Dichter und Bauer. Toeters en bellen, fluitjes en getruqueerde instrumenten maakten alles even bespottelijk. Tot diep in de jaren vijftig vierden Spike Jones en zijn City Slickers er triomfen mee. Daarna kwam de rock en roll, een genre dat volgens de orkestleider zelf al zo parodistisch was, dat hij nauwelijks wist hoe het nog te persifleren.

Omdat ze jarenlang tv-shows maakten, bleef er veel prachtig beeldmateriaal bewaard. Wat ik tot dusver alleen van de platen kende, is nu ook te zien - surrealistische dwaasheden uit het Hellzapoppin'-genre, slapstick en verkleedpartijen, steeds begeleid door het razende ritme van de muziek. Uitstekende muzikanten die van alle markten thuis waren, onder leiding van een klein mannetje met havikswenkbrauwen, in een pak met grote ruiten. It was fast, it was furious, it was fabulous, zegt een bejaarde dwerg, die destijds bij voorkeur in een contrabas of een piano verstopt zat.

De uitspraken van ooggetuigen zijn in Amerikaans tempo gemonteerd; van de geinterviewden is telkens niet meer dan hooguit twee zinnen te horen. Ik word daar altijd wat amechtig van. Maar erg opzienbarend zijn hun verhalen niet. Ze vormen de omlijsting voor veel fragmenten van vroeger, uitzinnige staaltjes van muzikale malligheid die nadien nooit zijn geevenaard.