Oorlog?

HET VERSCHIJNSEL OORLOG in klassieke zin is een zeldzaamheid geworden. Twee wereldoorlogen, een veranderde publieke moraal en het kernwapen hebben er naar het schijnt een einde aan gemaakt. In het Handvest van de Verenigde Naties komt het begrip - de preambule uitgezonderd - niet eens meer voor. Aan botsingen, spanningen en bedreigingen is ondertussen geen gebrek: Een demografische explosie in grote delen van de wereld dreigt met alle milieu-effecten vandien, in het voormalige Oostblok explodeert de maatschappelijke ordening en het continent ten zuiden van Europa, Afrika, dreigt gewoonweg verloren te raken, niet in staat om droogte, ziekte, stammenstrijd en technische ontheemding te boven te komen.

De vrede heeft in zekere zin, naar een woord van de onlangs overleden Zwitserse schrijver Friedrich Durrenmatt, de oorlog ingelijfd. Spanning, obsessie, deprivatie, hebzucht en verveling zoeken hun uitweg niet langer in gereglementeerde oorlog maar ontladen zich op uiteenlopende manieren. Misschien is het daarom dat de wereld deze dagen bevangen is door een mengsel van huiver en opluchting, nu in de Arabische woestijn twee reusachtige legers tegenover elkaar liggen. Opluchting omdat het hier om heldere morele fronten gaat en de strijd - of als dat mogelijk is: de afschrikkende werking ervan - een einde kan maken aan schaamteloze agressie. Huiver omdat deze eeuw eigenlijk 'oorlog' als een formeel acceptabel instrument voor de oplossing van conflicten heeft afgelegd en min of meer buiten de beschaving heeft geplaatst. Geen minister is nog van 'Oorlog', zij zijn allen van 'Defensie' geworden en zij zijn er voor de handhaving van 'vrede en veiligheid'. Dat is geen toeval en geen detail.

HUIVER IS ER ook omdat iedereen die in augustus vorig jaar nog even geestdriftig werd bij de aanblik van de Amerikaanse kordaatheid zich heel snel ook weer de lessen van 1914 herinnerde: Hoezeer was toen het enthousiasme zelfs van intellectuele en onafhankelijke geesten niet weggezonken in een bitter, fysiek en geestelijk moeras?

Huiver voor een geschiedenis die zich herhaalt is authentiek, ook al weet iedereen dat geschiedenis zich altijd anders herhaalt en dat de grote mogendheden van dit moment niet die Proud Tower aan het eind van de belle epoque vormen die Barbara Tuchman zo beeldend beschreef. Wie de behoedzaamheid en bezorgdheid ziet waarmee nu overal - de machtskliek in Bagdad uitgezonderd - wordt gecalculeerd over mogelijke slachtoffer-aantallen ziet een wereld van mentaal verschil voor zich met 1914-1918. Toen kon een Britse generaal na een veldslag zelfs over zijn nederlaag tevreden zijn, waarbij Geallieerden een half miljoen en de Duitsers een kwart miljoen manschappen hadden verloren. Een rekensom leerde immers dat een paar van zulke nederlagen achter elkaar ten slotte in een Geallieerde eindzege zou uitmonden: De voorraad soldatenvlees was aan Geallieerde kant meer dan tweemaal zo groot.

AAN HET EIND van deze eeuw zijn denkwereld en werkelijkheid anders, derhalve is er meer huiver dan opluchting over de dreigende 'Oorlog', ook al is deze term formeel en moreel dan niet van toepassing op de Verenigde Staten en hun bondgenoten nu zij volgens de richtlijnen van de Verenigde Naties te werk gaan om agressie van Saddam Hussein ongedaan te maken.

Oorlog is het laatste, het allerlaatste middel. Wie dit middel verwerpt, kan niet anders dan de agressie van Irak als feit accepteren en een langdurige containment-politiek construeren. Dat is eerder vertoond, en wel in de Koude Oorlog. Het Westen, voorop de Verenigde Staten, verklaarden toen de prijs voor de bevrijding van Oost-Europa te hoog. Bevrijding zou namelijk op een kernoorlog met een regelrechte vernietiging van een werelddeel kunnen uitdraaien en dus werd een ingenieus stelsel van afschrikking in het leven geroepen dat enkele generaties lang Europa althans van oorlogsgeweld heeft gevrijwaard en bevrijding tot nader orde uitstelde.

De prijs van een oorlog kan daarom nooit worden veronachtzaamd: Het doel van een soeverein Koeweit rechtvaardigt niet alle middelen. Maar voor zover zoiets onzekers als een oorlog valt te overzien is de macht van Bagdad niet dezelfde als die van het Kremlin decennia lang was (en voor zover het de kernwapens betreft nog altijd is).

DESONDANKS GAAT een oorlog gepaard met veel bloedvergieten en enorme onzekerheden over de kracht en reikwijdte van de brand die in het Midden-Oosten zal woeden. Wat gebeurt er met Israel? Hoe komen gematigde regimes uit de strijd tevoorschijn? Met wat voor geloofsijver zullen overal in de mohammedaanse wereld standbeelden voor Saddam Hussein verschijnen?

Men kan slechts hopen dat achter de functioneel vastberaden oorlogstaal het uiterste in het werk wordt gesteld om een feitelijke uitbarsting van vijandelijkheden te voorkomen. De vijftiende januari is door de Verenigde Naties immers niet als een startsein voor oorlog aangemerkt maar als de eerste dag waarop militair geweld binnen het VN-kader geoorloofd is. Het mag maar het moet niet. Zolang de resultante van boycot plus uitstel er een is van meer in plaats van minder druk is er geen dwingende noodzaak om een schot te lossen.

Natuurlijk gaat het om een subjectieve beoordeling. Honderdduizenden Amerikanen in de woestijn kunnen daar ook niet jaren blijven zitten. Hun moreel is ook een factor in de afschrikking, hetzelfde geldt voor de publieke opinie in de wereld, voorop in de Verenigde Staten. In Washington moet ten slotte de knoop worden doorgehakt. Elke bijdrage van Europa is welkom, maar aan deze kant van de oceaan past enige bescheidenheid. Niet Europeanen, maar Amerikanen liggen in de frontlijn. Zij halen de kastanjes uit het vuur, zij begraven straks hun doden.

OP DEZE PLAATS is al eerder bepleit dat ook Nederland, uiteraard naar rato, militair present had moeten zijn. Een breed internationaal militair front had de vastberadenheid en afschrikkende werking gediend, had in Bagdad de nog altijd bestaande hoop om Amerika en Europa uit elkaar te spelen eerder gesmoord. Zulke vastberadenheid had uitstel van vijandelijkheden gemakkelijker gemaakt en had het recht van spreken van Europese mogendheden vergroot.

Nu resteert eigenlijk weinig meer dan hopen dat Saddam Hussein bakzeil haalt, zich schikt naar de spelregels van de volkerenorganisatie en verder: hopen dat een oorlog zoveel mogelijk beperkt kan blijven tot een chirurgische ingreep en het Midden-Oosten ten slotte een modus vivendi vindt die past bij een wereld van soevereine staten aan het eind van deze eeuw van de dekolonisatie.

    • J. L. Heldring