Minder boeren, niet minder varkens

DEN HAAG, 8 JAN. Het aantal varkenshouderijen zal in het jaar 2000 zijn teruggelopen van 29.000 nu tot 11.000. Het aantal varkens zal naar verwachting gelijk blijven.

Dat staat in een rapport van het Produktschap voor vee en vlees, dat morgen zal verschijnen. Secretaris ir. B. J. Odink van het Produktschap zegt dat in de komende tien jaar vooral de kleinere varkensfokkers zullen afhaken omdat ze niet genoeg geld hebben om te investeren in stallen, die beter zijn voor het milieu. Het gaat hierbij vooral om fokkers zonder opvolging.

Odink meent dat de ontwikkeling gunstig is. Hij zegt dat de concurrentiepositie met de omringende landen, waar eveneens schaalvergroting plaatsvindt, er door zal verbeteren. Volgens Odink zal het aantal arbeidsplaatsen in de varkenhouderij ongeveer gelijk blijven. Op dit moment bieden de 29.000 bedrijven ongeveer 22.000 manjaren werk. Tesamen produceren ze per jaar 24 miljoen varkens.

Veehouders in het algemeen en varkenshouders in het bijzonder staan de komende jaren grote investeringen te wachten met als doel de vervuiling door mest en ammoniak te verminderen. “Om die investeringen te kunnen doen, moet je groot genoeg zijn”, aldus Odink.

De vermindering van het aantal varkenshouderijen is een ontwikkeling, die sinds de jaren zestig bestaat. Tussen 1960 en 1970 verdween de helft van het aantal bedrijven, wat neerkomt op 75.000. Ook in de jaren tussen 1970 en 1980 en tussen 1980 en 1990 was er sprake van een daling met telkens iets minder dan de helft.

Volgens Odink is de schaalvergroting ook gunstig voor de mestfabrieken. Daarvan wil men met overheidssubisidie de komende jaren er een stuk of zes bouwen. De mestfabrieken verwerken de hoofdzakelijk varkensdrijfmest tot korrels, waarvoor in het buitenland voldoende afzetgebied zou zijn. “Door grotere eenheden”, aldus Odink, “komt er een betere mestaanvoer naar de fabrieken tot stand en zal de kwaliteit van de aangeboden mest eveneens beter worden.”