Literaire Tijdschriften

Een droevig feest van herkenning

'Onuit- en onweerstaanbaar' is een van die treffende ongerijmdheden waarmee K. L. - Bert - Poll na zijn overlijden in november getypeerd werd. Deze is van Maarten 't Hart, die 'm bedacht voor een bijdrage aan het herdenkingsnummer van het Hollands Maandblad dat net uit is. Vrienden hebben besloten dat het Maandblad moet voortbestaan. Maar “niemand verbeeldt zich als hij de redactie heel alleen te kunnen voeren”. John Peereboom, Arjen Schreuder en Wout Woltz, bijgestaan door zeven redactieraadsleden, vormen de nieuwe redactie.

Jammer dat 't Hart er niet bij kwam - hij schreef een van de beste stukken in dit herdenkingsnummer; hartelijk, geestig en verbaasd. “Waarom zag je van die verbale alertheid, die venijnige, soms zelfs bitse humor, die scherpzinnige, menigmaal boosaardige geestigheid zo weinig terug in zijn geschriften? Dat is, vind ik, het grote raadsel van Bert Poll.”

Eigenlijk (een van de 'verboden woorden' van K. L. Poll, in zijn spreektaal een 'niet-woord') is zo'n in memoriam-nummer hors concours, je kunt de bijdragen moeilijk op hun literaire waarde afwegen, terwijl de meeste medewerkers wel degelijk literaire verdiensten of ambities hebben. Voor wie Poll gekend hebben is Hollands Maandblad nummer 517 een soms droevig feest van herkenning, anderen zullen het waarschijnlijk te persoonsgericht, te veel op de man gespeeld vinden ( “ik ontmoette Poll voor het eerst in ... “ ).

Dat geldt overigens niet voor de handige uitleg van Polls Woordenboekspel die Charlotte Mutsaers verstrekt. In alle toonaarden wordt de man van het Maandblad en het CS bedankt voor zijn aanmoedigingen en het publiceren van essays of fictie, het opmerkelijkst door Hugo Brandt Corstius: “Dekker heeft in de 27 jaar na Max Havelaar geen Poll ontmoet. Ik gelukkig wel.”

Hollands Maandblad 517, 1990-12. Uitg. Veen, 47 blz. fl. 9, 25

LITERAIRE DEUGDEN

Raster vroeg schrijvers welke eigenschap zij absoluut onontbeerlijk vinden in literatuur. Het voorbeeld was Italo Calvino's Six Memo's for the Next Millennium (1988), waarin hij over vijf van zulke essentiele kenmerken uitweidde: lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid en veelvoudigheid. Tien Nederlandstalige auteurs kwamen met een essay over een onmisbaar kenmerk voor de dag, dat natuurlijk ook nog een beetje origineel moest zijn.

Calvino putte voor zijn vijf betogen (het zesde bleef onvoltooid) rijkelijk uit de wereldliteratuur. Voor de 'lichtheid' ontleende hij bijvoorbeeld citaten aan onder anderen Ovidius, Montale, Kundera, Lucretius, Boccaccio, Dante, Cavalcanti, Dickinson, Shakespeare, Cyrano de Bergerac en Kafka. Eenvoudig gezegd zet hij hier de loden werkelijkheid tegenover de toverachtige lichtheid van de literaire verbeelding. Calvino's beschouwing over 'veelvoudigheid' staat in dit nummer van Raster. Hier Gadda, Musil, Proust, Flaubert, Mann, Borges, Perec. Zij schreven 'encyclopedische romans' - “Te hoge ambities zijn op vele gebieden af te keuren, maar niet in de literatuur”. De schrijver pleit voor literaire netwerken, voor complexe puzzelromans.

Waar pleiten onze schrijvers voor? Verstrooidheid (Beurskens), ambivalentie (De Wispelaere), steelsheid (Mutsaers), mildheid (Van Toorn), indachtigheid (Matsier - “degenen van wie ik houd zijn intellectverwarmend” ) en duisterheid (Vogelaar) bijvoorbeeld. Stefan Hertmans voor 'heid-heid'.

Men heeft zich keurig aan de eis gehouden dat een Calvino-achtige aanpak gevolgd moest worden; citaten dus, en veel namen, geen onbewezen meningen.

Beurskens houdt van het groteske en de verstrooidheid en het is prettig met hem mee te gaan: “Misschien zou de kunstenaar een Trifonius Zonnebloem moeten zijn die, in steeds wisselende hoeveelheden, ook het nodige van de calculerende Kuifje in zich heeft, iets van de opvliegende en dorstige kapitein Haddock en wellicht ook iets van Bobbie, al is het maar om als hond naast de eigen schrijftafel te kunnen gaan liggen (zoals Maurice Gilliams deed).” Beurskens' essay over diasporisme als credo gaat overwacht over in een treurige beschouwing van de joodse diaspora.

“Wil een auteur werkelijk iets onthullen van de diepte van zijn persoon, wat geen verwonderlijk streven is, dan doet hij er goed aan die persoon af en toe eens in zijn eigen woorden te laten onderduiken”, stelt Charlotte Mutsaers over de steelsheid, en ze lijkt haast verliefd op Hugo Brandt Corstius.

Raster 51. Uitg. De Bezige Bij, 145 blz.

RONDINGEN EN ZACHTE PLEKJES

In het winternummer van Surplus gaat alle aandacht naar boeken die wel veel lezers trekken maar nooit door de literaire kritiek komen: triviaalliteratuur. Een van de redactrices van het feministische Surplus verdient haar dagelijks brood als vertaalster van Bouquetromans. Marianne Peereboom lijkt dus de aangewezen persoon om de hamvraag te beantwoorden of romantische fictie nu onschuldige ontspanning is of opium voor het vrouwvolk. Ze las kritisch enkele wetenschappelijke publikaties over deze kwestie en constateert dat in sommige flutromannetjes inmiddels plaats is voor vrouwelijke activiteit in werk en bed. Deze opium kan dus ook bewustzijnsverruimend zijn zegt ze tevreden - “Niet de artistieke maar de academische traditie heeft kunstmatige barrieres opgeworpen tussen 'hoge' en 'populaire' kunst enerzijds en kunst en leven anderzijds.”

Uitgeverij Furie heeft net de 'lesbopulp' van de Groningse schrijfsterbrigade Dorcas uit de jaren '80 opnieuw uitgebracht, Wilde rozen deel 1 en 2. Hierin imiteerden of parodieerden vier naar alle waarschijnlijkheid academisch gevormde schrijfsters allerlei genres triviaalliteratuur: “romantiek, avontuur, seks, humor, spanning, lief en leed, en dat alles onder dames”.

Verantwoorde pulp dus: “Met een teder gebaar maakt Claire Jets blouse los en het zachtgele satijn valt naast hun voeten op de vloer. Er is zo iets natuurlijks in hun gebaren, alsof die eeuwenoud zijn en alsof ze ze al honderden malen gemaakt hebben. Opnieuw vinden hun monden elkaar en strelende handen gaan over rondingen en zachte plekjes die ze bij de ander herkennen.”

Surplus organiseerde in 1990 een serie bijeenkomsten van een werkgroep die zich, bestaande uit lezeressen, wetenschapsters en recensentes, bezighield met de vrouw en de literaire kritiek. In dit winternummer wordt in de vorm van zes korte artikelen het resultaat gepubliceerd. Vanzelfsprekend wisten de leden van de werkgroep het nooit eens te worden over 'feministische literatuurkritiek'. Al was het alleen maar omdat de recensentes telkens de mooie dromen van onderzoeksters verstoorden door te wijzen op de realiteit bij krant en weekblad: wees snel, kort en geef de bekende schrijvers altijd voorrang. Een ruime belezenheid spreekt vanzelf, en Isabel Hoving ziet bij recensentes graag een bijna onmenselijk breed referentiekader: “Het zou aardig zijn als ze veel wisten over Friese vrouwenliteratuur, Westafrikaanse pulp, roddelstrategieen op de Antillen, (... ).”

Xandra Schutte, naast Lucie Th. Vermij een veelbelovende feministische literatuurbeschouwster, verlangt naar een pluriform corps van ciritici die uitkomen voor hun beginselen: “Mijn utopie is een klimaat waarin, ook in de professionele media, sterk verschillende leeswijzen - traditionele, feministische, neo-marxistische, gepigmenteerde, deconstructivistische, etc. - broederlijk naast elkander staan.”

Surplus, 2-maandelijks tijdschrift over literatuur van vrouwen, jan.- febr. 1991; via Boekhandel Xantippe Amsterdam, 49 blz. fl. 4, 25.

    • Margot Engelen