Dualisme van de markteconomie

Het belangrijkste keerpunt van de jongste geschiedenis is ongetwijfeld de triomf van het kapitalisme. De ineenstorting van de socialistische planeconomieen bevestigt dat geen land of blok van landen zich meer kan onttrekken aan de krachten van de universeel geworden vrije markteconomie. Hierin het einde te zien van de geschiedenis a la Fukuyama is een staaltje van dialektisch denken waarvoor de oude Hegel zich niet zou behoeven te schamen. De Duitse filosoof zag in de vorming van de nationale staat de synthese die een definitief einde zou maken aan de afwisselende theses en antitheses. Zo meent de Amerikaan dat de dialektiek ophoudt met de opheffing van de tegenstelling tussen het democratisch liberalisme en het communisme, een denkwijze die Karl Popper zou afdoen als historicisme.

De tegenstrijdigheden die het kapitalisme kenmerken hebben zich nog allerminst opgelost. Het contrast tussen de opstapeling van rijkdommen aan de ene kant en uitzichtloze armoede aan de andere kant is nu schriller dan in de tijd dat al te grote inkomensverschillen werden verzacht door de verdelende rechtvaardigheid van de verzorgingsstaat. Dat was zelfs de reden waarom de liberaal lord Beveridge de welfare state uitvond.

De wereld van de jaren tachtig en negentig is harder dan die van de voorgaande decennia. De nieuwe armoede beperkt zich niet tot de zogeheten kansarme groepen, maar ontstaat vooral in de steden en regio's die door het kapitaal zijn prijsgegeven. Dit is allesbehalve een nieuw verschijnsel. De Franse historicus Fernand Braudel stelt in zijn vier eeuwen omvattend magnum opus vast dat het beperken van investeringen net zo goed bij het kapitalisme hoort als het investeren. Het is een eigenschap van het kapitaal die waarschijnlijk ook zijn kracht uitmaakt: het vermogen om zich snel terug te trekken uit minder winstgevende ondernemingen om zich te concentreren op meer belovende winstbronnen. Het Engeland van het Thatcherisme laat die gespleten ontwikkeling schrijnend duidelijk zien. Maar ook het door sociaal-democraten geregeerde Frankrijk vertoont die innerlijke antithese van het kapitalisme met zijn verlaten oude industriesteden en gemarginaliseerde bevolkingsgroepen.

De Franse socioloog Alain Touraine meent dat we vandaag onder de heerschappij leven van twee economische beginselen die met elkaar in verband staan. De eerste is dat de economie steeds meer open staat voor de wereldmarkt en dat de concurrentiekracht van de ondernemingen het overleven van een land en zijn inwoners bepaalt. Het tweede principe is dat dit concurrentievermogen fusies van ondernemingen en beheersing van het geheel van netwerken tussen de ondernemingen en financieringsinstellingen vereist. De doelstellingen van sociale integratie, gelijkheid en solidariteit raken daardoor op de achtergrond. De logica van de internationale markt is dus sterker dan die van de samenleving, concludeert Touraine. Alle landen zijn onderworpen aan de ontwikkeling van een toenemend dualisme en alle zien steeds hogere scheidsmuren ontstaan tussen de geinternationaliseerde sector en de marginale sectoren die steeds meer aangewezen zijn op laag produktieve activiteiten die bestemd zijn voor arme consumenten. Nu de economische crisis voorbij is (of is er weer een nieuwe op komst? ) meent Touraine weer voorrang voor sociale gerechtigheid te kunnen bepleiten, in zo nauw mogelijke samenhang met verdere economische vernieuwing, want verdediging van verouderde produkties om werkgelegenheid te behouden heeft geen zin, dat bewijzen juist de falende planeconomieen. Het pleidooi van de Fransman doet wel wat denken aan de prioriteit die het kabinet Lubbers-Kok aan sociale vernieuwing had willen geven.

Degenen die naar de kant worden geschoven en verdreven uit de maatschappij van overvloed en zekerheid zien hun kansen steeds verder afnemen. Niemand interesseert zich voor hen.

Adam Smith, tegenwoordig weer volop in de belangstelling als filosoof van de vrije markt, wist het al. In zijn Theory of Moral Sentiments schrijft hij: De rijke man is trots op zijn rijkdommen, omdat hij voelt dat zij op natuurlijke wijze de aandacht van de wereld op hem vestigen en dat de mensheid deelt in al die aangename emoties die de voordelen van zijn situatie bij hem opwekken. Bij de gedachte hieraan zwelt zijn hart in zijn borst en in dit opzicht is hij nog meer verzot op zijn welstand dan op al de andere voordelen die deze hem verschaft. De arme man daarentegen schaamt zich over zijn armoede. Hij voelt dat deze hem buiten het zicht van de mensheid plaatst of dat, als zij al enige notitie van hem neemt, zij nauwelijks enig meegevoel heeft met de kommer en ellende die hij ondergaat. Hij voelt zich in tweeerlei opzicht vernederd. Want hoewel over het hoofd te worden gezien of te worden misprezen toch twee heel verschillende dingen zijn, als de duisternis ons afsluit van het daglicht van eer en goedkeuring, slaat het gevoel dat er geen notitie van ons wordt genomen noodzakelijkerwijs de aangenaamste hoop de bodem in en dooft het het brandendste verlangen van de menselijke natuur. De arme gaat in en uit zonder te worden gezien en zelfs midden in een menigte verkeert hij in dezelfde duisternis als wanneer hij in zijn eigen kot is opgesloten.