Steun aan het kwetsbare vereist andere dan economische normen; Europa is verantwoordelijk voor cultureel milieu

'Europa 1992' blijkt een succes te worden, economisch, monetair, commercieel. Het gaat zo goed dat er ongemerkt vast iets heel slecht gaat. Loopt de Nederlandse identiteit gevaar? Op het gebied van handel en industrie dreigt dat inderdaad. We maken ons daar niet eens zo druk over. Nederland heeft een open economie en gehoorzaamt aan de wetten van de vrije markt. Dat willen we zo. We worden pas gevoelig als de spirituele aspecten van onze cultuur op het spel staan.

Daar is reden voor. Het Nederlandse media-landschap werd door de vrije-markt politiek van de Gemeenschap onderuit gehaald. De afschaffing van nationale bescherming zal in de toekomst de subsidiering van Nederlandse kunst moeilijk maken. Wie weet komt heel artistiek Europa onze cultuur-potjes plunderen. Er zijn er die redeneren vanuit het oude volksgeloof dat zegt dat een passieve overheid de beste voorwaarde is voor een positieve, spontane ontwikkeling. Zij zouden willen dat de EG haar handen thuishield als het over cultuur gaat. Wie zo denkt, vergeet dat er internationale machten, buiten de Europese overheid, zijn die culturele processen fors kunnen verstoren.

Een van die machten is de commercie. De overheid is er juist om zulke machten binnen de perken te houden. Voorstanders van een op cultureel gebied passieve Europese overheid kunnen dus op geestdriftige bijval rekenen van degenen die alleen maar uit zijn op handel. Dat zou hen toch wantrouwig moeten maken!

SOCIALE EISEN

Er is nog een ander standpunt mogelijk op grond waarvan Europees beleid, dat gericht is op een ongenormeerde vrije markt, moet worden verworpen. Het marktbeleid - en dat weet men nationaal al lang - moet voldoen aan sociale en milieu-eisen. Die normeringen zorgen ervoor dat wij geen kapitalisme meer hebben.

Door de gang van zaken bij de EG zien we meer en meer dat het marktbeleid ook aan culturele eisen moet voldoen. Nationaal cultureel erfgoed is geen gewone handelswaar en behoeft een eigen juridische benadering; een ideele culturele organisatie is iets anders dan een industrie. Een school mag geen 'leerfabriek' worden die slechts human resources aanboort en mensen klaarstoomt voor de arbeidsmarkt.

Zolang er echter niets over in de verdragen van de Gemeenschap staat, worden cultuur en onderwijs behandeld als takken van economie in plaats van als sectoren met een eigen, niet te herleiden betekenis. Tegenspel van nationale regeringen helpt dan niet. Die regeringen komen met hun beleid in die sectoren zelf in de knel. Ze worden voor het Hof gedaagd en moeten inbinden. We kunnen cultuur (en onderwijs) dus pas effectief beschermen als daarover op een goede toon wordt gesproken in de Europese verdragen zelf.

Er moet een verantwoordelijkheid worden erkend en toegekend. Dan kan de Europese overheid ergens aan gehouden worden. Wie dat tegenwerkt omdat hij bezeten is van marktdenken, werkt aan een Europa dat meer en meer zal worden gewantrouwd omdat het de nationale soevereiniteit over cultuur in handen geeft van niet-culturele machten - de commercie. De discussie over die soevereiniteit wordt ingehaald door het vrije spel van marktkrachten - die zullen de baas zijn. Daarmee wordt de maatschappij heel wat afgepakt.

Nivellering is het onafwendbare gevolg. De 'cultuurindustrie' zal de burgers snel tot consumenten reduceren. Schaalvergroting, standaardisatie, afsterven van wat economisch zwak is, zijn de tendensen in de economie en daar zijn ze ook op hun plaats. Maar cultuurbeleid richt zich op grote en kleine subculturen, op verscheidenheid, op steun aan het kwetsbare.

RUIMTE SCHEPPEN

Het subsidiariteitsbeginsel dat aan de orde is bij de huidige discussie over herziening van de EG- verdragen bepleit extra aandacht voor de lagere bestuursniveaus als tenminste de taakuitoefening op die niveaus volgens de normen van gerechtigheid en solidariteit plaats heeft. Zijn de lagere niveaus daarvoor niet voldoende geschikt, dan moet de betreffende taak naar een hoger niveau worden overgeheveld.

Europees cultuurbeleid dient er vooral toe dat de lidstaten, zonder onredelijke wederzijdse belemmeringen, beleid kunnen voeren. Europa moet er tevens voor zorgen dat andere dan politieke machten de ruimte voor overheidsbeleid niet onder druk zetten. Die machten zijn er en vaak nog effectiever internationaal georganiseerd dan de Europese overheid zelf.

Om deze reden is het gewenst dat de EG een culturele bevoegdheid krijgt. Alleen de EG en niet de Raad van Europa of zelfs de CVSE, kan effectief tegenwicht bieden aan cultuurbedreigende tendensen die zich niets van landsgrenzen aantrekken. En verder: alleen als de EG verantwoordelijkheid krijgt in het culturele domein kan de Gemeenschap het eigen beleid bijstellen en orienteren op culturele waarden. Zo veranderen we de EG van binnenuit en hoeven we onze energie niet te verspillen aan een bestuurlijke uitzichtslozeloopgravenoorlog.

Op cultuurgebied kan aanvullend beleid worden gevoerd als lidstaten niet in staat zijn zelf hun erfgoed voldoende te beschermen. Men kan elkaars wetgeving erkennen en een supranationaal beleid aanvaarden over de handel in cultuurgoederen. Kleine cultuurgebieden kunnen worden ondersteund opdat ze niet door de grote worden weggedrukt. Men kan wat doen aan samenwerking van deskundigen en aan opleidingen. Zo kan een regelgeving tot stand komen die de actoren van de markt temt als cultuurgoederen en culturele organisaties op het spel staan.

Parallel

Het maken van verdragsteksten ligt juridisch heel gevoelig. Onlangs is in het Europees Parlement een voorstel ingediend waarin in technisch opzicht de verdragstekst voor het milieubeleid werd gevolgd. Dit heeft als voordeel dat de begrippen bekend zijn. Bovendien is milieubeleid, net als cultuurbeleid, typisch iets dat maar ten dele supranationaal moet worden uitgevoerd en voor een heel belangrijk deel door staten, provincies en gemeenten. Al die verschillende niveaus hebben elkaar hard nodig opdat men zelf nog zinnig beleid kan voeren. Bij onderwijs en cultuur moet bovendien specifiek worden gelet op de primaire verantwoordelijkheid van de private organisaties. Cultuur is immers primair iets van de burgers en hun sociale verbanden.

De EG zou een vertegenwoordiging van het culturele 'middenveld' best kunnen gebruiken. De cultuur zou zeer gebaat zijn met zo'n sterke eigen Europese representant die kan optreden als discussiepartner en tegenspeler van de Europese politiek. Kortom, het is niet goed om angstig af te wachten. Het is beter om bij Europa aan boord te springen en het roer te grijpen.