Siegfried Woldhek, vogelaar en tekenaar; Ambitieuze natuurbeschermer

De meeste mensen kennen Siegfried Woldhek, de nieuwe directeur van het Wereldnatuurfonds, als tekenaar van schrijversportretten, politieke prenten en vogels. In kringen van natuurbeschermers staat hij bekend als een gedreven pleitbezorger van de natuur, vooral van vogels. Als directeur van de Vogelbescherming bestookte hij het land met nieuwigheden als de Nationale Vogelkijkdag. “Kijk eens hoe mooi”, zegt hij vaak, en menigeen geeft hem dan gelijk. Een man van ideeen wordt hij genoemd, snel van geest, goed in talen en buitengewoon ambitieus.

Op het ministerie van buitenlandse zaken kwamen een jaar of vijf geleden een Deense, een Duitse en een Nederlandse delegatie praten over de Waddenzee. Een jongeman hield een voordracht over de betekenis van de Waddenzee voor trekvogels.

“Dat was zo'n briljant verhaal dat ik ter plekke lid ben geworden van de Vogelbescherming”, zegt F. Evers, toen plaatsvervangend directeur-generaal milieu op het ministerie van Volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieu. Die jongeman was Siegfried Woldhek (39), directeur van de Vogelbescherming. Onlangs stapte hij over naar het Wereldnatuurfonds - de Nederlandse afdeling van het World Wildlife Fund - waar hij dezelfde functie bekleedt.

Honderden, misschien wel duizenden mensen kunnen een verhaal vertellen als dat van Evers: hoe zij persoonlijk werden gegrepen door een schets van de wereld vanuit het perspectief van een boerenzwaluw, een lepelaar of een rose grutto. Woldhek schudt zulke schetsen uit zijn mouw, voor een zaal met honderd mensen, evengoed als in het veld, met een collega-vogelaar, of met een minister.

“Hij is sterk in het overbrengen van de emotionele aspecten van natuurbescherming”, zegt J. de Boer, directeur van Natuurmonumenten. Maar dat weet hij heel rationeel te doseren, pragmatisch als hij is. Hij kan zijn emoties strategisch inzetten, aldus Nico de Haan, jarenlang zijn naaste collega bij de Vogelbescherming. Hoewel hij met liefde een cursus voor de volksuniversiteit verzorgde, beseft hij dat een minister meer gewicht in de schaal legt, als het erop aankomt. Dus toog hij met Smit-Kroes en haar man door de duinen van Voorne, trok hij met Braks door bos en beemd en wist hij Nijpels - binnenkort voorzitter van het Wereldnatuurfonds - voor zich en voor de vogels te winnen.

De natuur wekte al vroeg zijn belangstelling. Siegfried was een jaar of twaalf toen hij in de tuin van zijn ouderlijk huis te Noordbarge, aangeschurkt tegen Emmen, een bont vogeltje ontwaarde. Een ontsnapt volierebeestje, dacht hij, maar Peterson's Vogelgids leerde dat het een gekraagde roodstaart was. Het moet diepe indruk hebben gemaakt. Weggekropen onder de dekens bestudeerde hij alle afbeeldingen uit de vogelgids. In het veld toetste hij zijn nieuw verworven kennis, eerst alleen, later met vriendjes van de Christelijke Jeugdbond van Natuurvrienden (CJN). Bij de niet-christelijke NJN mocht hij niet, want die vogelden op zondag.

Luit Buurma, twee jaar ouder en ook lid van de CJN, ging wel eens met hem op excursie. De CJN is net als zijn tegenhanger NJN een organisatie voor en van jongeren: wie ouder is dan 25 moet eruit. “Er was een vriendelijke competitie om de macht”, herinnert Buurma zich, “er ontstonden natuurlijke gezagsverhoudingen. Siegfried was in de ogen van de ouderen aanvankelijk een fanatieke kluns.” Maar hij leerde snel en schopte het tot lid van het hoofdbestuur.

Na het gymnasium ging Woldhek in het kader van een uitwisselingsprogramma een jaar naar de Verenigde Staten. “Hij kwam totaal anders terug”, aldus Buurma, die net als Woldhek en vele andere CJN-vrienden biologie was gaan studeren aan de Vrije Universiteit. Hij liet zijn vakidiotie in Amerika achter, stortte zich op tekenen en literatuur en begaf zich in kringen van kunstenaars. Hij beheerste de kunst zich met allerlei mensen te verstaan. “Ik ben iemand die in een discussie meestal binnen vijf minuten vechtend met mijn tegenstander over straat rol; met Siegfried nooit”, zegt studievriend Kees Nagelkerke. “Hij kon met iedereen omgaan.”

In de studie speelden de vogels geen hoofdrol. Woldhek deed vooral onderzoek naar insecten, bijvoorbeeld hoe loopkevers springstaarten opvreten. Een goede student, meent G. Ernsting, verbonden aan de vakgroep dieroecologie van de VU en begeleider van het loopkever-onderzoek: niet briljant, wel gemotiveerd, geinteresseerd en zeker ijverig. Eigenwijs ook. Stak kritiek op het onderwijs niet onder stoelen of banken. Bij excursies liep hij vaak ver vooruit, omdat de anderen alles toch maar verstoorden.

Zelfs voor een goede oecoloog lagen de banen in de tweede helft van de jaren zeventig niet voor het opscheppen. Woldhek orienteerde zich op een toekomst als onderzoeker, maar had ook andere opties. Met een bundel tekeningen onder de arm meldde hij zich bij enkele kranten. Trouw wees hem af. Bij Vrij Nederland was het raak.

Redacteur C. Peeters: “Hij had een map tekeningen bij zich die ik afschuwelijk vond: schrijvers, op een heel karikaturale manier getekend. Maar ik zag wel onmiddellijk dat hij kon tekenen. Ik heb hem toen gevraagd een tekening te maken met een verhaal erin en zo min mogelijk karikatuur. Hij had direct door wat ik bedoelde.” Sindsdien verschijnen zijn tekeningen met regelmaat in Vrij Nederland en later ook in deze krant. Als tekenaar is hij autodidact.

Zijn politieke prenten komen vaak cynisch en hard over. “Dan is hij echt amoreel”, meent Peeters. “Het gaat hem om een mooie tekening en een scherp idee. Aan het effect van zo'n tekening denkt hij niet.” Buurma, later als secretaris van de Vogelbescherming Woldheks baas: “We hebben wel eens een formeel conflict gehad over het portret van Beatrix dat hij had gemaakt (dat niet erg flatteus was - DvE). Hij had niet gezien dat dat botste met zijn rol als directeur van de Vogelbescherming. Dat was wat naief van hem.”

Ook als hij blijk geeft van zijn ontroering, heeft hij niet altijd in de gaten wat hij teweegbrengt, blijkt uit andere verhalen. Zo hief hij in Moskou eens en plein public een briefje van honderd gulden tegen de zon om enkele Russen te laten zien wat voor fraai vogeltje erop stond. Buurma: “Ze gingen door de grond. Zulke briefjes worden alleen gebruikt om zwart te wisselen voor veel roebels.”

Woldhek was nog student toen hij onder de aandacht kwam van Kees de Bruin, de toenmalige directeur van de Vogelbescherming. Die zocht iemand om een cursus te geven voor de volksuniversiteit. Gewoontegetrouw in zo'n geval belde hij J. Wattel van het instituut voor taxonomische zoologie in Amsterdam. Die beval Woldhek aan, die bij hem onderzoek had gedaan. Hij klaarde de klus uitstekend. Toen de Vogelbescherming iemand zocht om internationale activiteiten rond trekvogels in het Middellandse-Zeegebied te coordineren, dacht men weer aan Woldhek, inmiddels afgestudeerd. Het project was hem op het lijf geschreven: contacten leggen met zeer uiteenlopende mensen en organisaties in volkomen verschillende landen, uitzoeken wat er gebeurt met de trekvogels daar en mensen enthousiasmeren voor vogelbescherming.

Naast het werk voor het Nederlands comite voor de bescherming van trekvogels trad hij part-time in dienst van de Vogelbescherming, waar hij in 1984 De Bruin opvolgde als directeur. De Zeister woning van De Bruin vormde niet alleen decor voor vele gesprekken over literatuur - een gemeenschappelijke belangstelling - maar ook voor felle discussies over politiek of over de jacht. Woldhek lag regelmatig in de clinch met jagers, De Bruin een enthousiast jager. De Bruin: “Maar als er bij ons een fazant of een eend op tafel stond at hij ook lekker mee. Hij was niet fanatiek op dat punt. Ik denk dat zijn standpunt deels strategisch is: een anti-jachtstandpunt is beter te verkopen aan een breed publiek.”

Ze verschillen in meer opzichten van elkaar. De Bruin: “Hij zat altijd achter een leeg bureau, dat van mij was gewoonlijk een puinhoop.” Woldhek houdt van orde en planning. Toen hij eens bij De Bruin in diens vakantiehuis in Frankrijk logeerde, trok hij zich steevast om twee uur 's middags terug om precies twee uur lang te studeren. Hij heeft de literatuur in zijn boekenkast op kleur gerangschikt. Een perfectionist.

De nieuwe directeur van het Wereldnatuurfonds geldt als bijzonder ambitieus. “Hij kan niets doen zonder de ambitie het beter te doen dan wie dan ook”, stelt Koos van Zomeren, een vriend met wie hij onder meer de serie Het Scheepsorkest maakte voor het Zaterdags Bijvoegsel van deze krant. Hij is fanatiek schaatser en ging hardlopen om zjn conditie op te vijzelen. Van Zomeren: “Daarbij had hij zijn kniebanden gescheurd. Over de telefoon vertelde hij over zijn herstel. Ook daarin wilde hij beter zijn dan anderen: hij lag 'voor op schema'.”

Van Zomeren gebruikte Woldheks karakter voor de bioloog en dichter Wessel Matser in zijn roman Otto's oorlog. Hij is overal goed in, die Wessel, en dat laat hij merken ook. Van Zomeren: “Ik dacht eigenlijk dat dat het einde van de samenwerking zou bezegelen. Siegfried belde me onmiddellijk op. Hij was wel geschokt.” Maar na een goed gesprek veranderde de zakelijke samenwerking in vriendschap.

“Ik denk wel dat hij zichzelf goed vindt”, zegt Evers over Woldhek. Maar goed zijn alleen is niet genoeg. Buurma: “De bevestiging dat hij het goed doet is wel belangrijk voor hem. Enige ijdelheid heeft hij zeker.”

Met hem samenwerken is niet voor iedereen eenvoudig. Hij is slim en veeleisend, vindt Nico de Haan. “Hij doorziet dingen ongelooflijk snel”, zegt Wattel, “maar hij doorziet soms niet dat een ander nog niet van voor tot achter snapt wat hij al lang doorheeft. Dat is zijn grootste handicap bij het managen van een organisatie.” Maar Woldhek is zeer leergierig, merkte Evers, dus ook dat spijkert hij nog wel bij.

    • Dick van Eijk