'Open' judostrijd in teken reddingsactie

NIEUWEGEIN, 7 jan. - Met weemoed verwijzen oude judoliefhebbers naar de tijd dat de kleine, ternauwernood 65 kilo wegende Japanner Minetoya naar Nederland kwam om de tenminste twee keer zo zwaar wegende en vier koppende grotere Geesink en Ruska met een snelle techniek op hun rug te gooien. Toen werd een gevecht tussen judoka's nog beslecht op basis van technische perfectie en handelingssnelheid. Toen waren verschillen in gewicht en postuur, volgens het principe van uitvinder Jigoro Kano, nauwelijks van doorslaggevende betekenis. Judopartijen waren nog herkenbaar en leuk om naar te kijken.

Een halve eeuw geleden, toen judo in Europa werd geintroduceerd, bestonden er geen gewichtsklassen. Iedereen vocht tegen iedereen. Later werden drie categorieen (bij de mannen tot 63 kilo, tot 80 en boven 80) ingesteld. Tegenwoordig zijn dat er zeven. Daarnaast bestaat nog altijd de mogelijkheid dat lichte judoka's het in toernooiverband opnemen tegen zware. Bijna elk kampioenschap kent de zogenoemde 'open klasse' of 'alle categorieen'.

Maar door de evolutie van het judo - met name kracht, maar ook gewicht is belangrijker geworden dan techniek en snelheid - zijn de lichtere judoka's minder kansrijk tegen de zwaren dan vroeger. De strijd om een titel in alle categorieen wordt dan ook slechts uitgevochten door judoka's die zwaarder zijn dan zo'n tachtig kilo. Gevoegd bij het feit dat op Olympisch niveau bij al jaren en bij de wereldkampioenschappen sinds geen gouden medaille meer valt te verdienen in de 'open klasse' dreigt deze van origine spectaculaire categorie van het toneel te verdwijnen.

Op nationaal niveau wordt het kampioenschap alle categorieen afzonderijk van het titeltoernooi der respectieve gewichtsklassen gehouden. Meestal telde het deelnemersveld niet meer dan een handvol zwaar- , halfzwaar- en middengewichten en was het toernooi binnen een uurtje of twee afgerond. Nauwelijks spanning, nauwelijks toeschouwers. Kortom: allerminst promotie voor de judosport.

Een paar jaar geleden deed de bondscoach voor studerende judoka's, Hans Spermon, eens het idee aan de hand twee 'open klassen' - een voor de zwaardere gewichten, een voor de lichtere - in te stellen. Anderhalf jaar geleden stelde sportschoolhouder Jan de Rooy uit Goirle een soortgelijk plan op schrift en diende dat in bij hoofdbestuur van de judobond. Afgelopen zaterdag werd de formule in Nieuwege voor het eerst in praktijk geplaatst: voor de mannen een titel tot 78 kilo en een boven 78, voor de vrouwen was 61 kilo de scheidingslijn voor de twee klassen.

Het idee van De Rooy was niet slecht. “Nu kunnen ook de lichtste judoka's om een open titel strijden”, glunderde de Brabander. “En eigenlijk

dat de grootste groep. Er zijn nu meer wedstrijden en er is meer publiek. Vroeger waren er weleens slechts twaalf deelneemsters. Dan kostte de bond bij de organisatie alleen maar energie en geld. Nu heb je met dezelfde faciliteiten meer judoka's en meer toeschouwers.''

Voorzitter Frans Hoogendijk van de judobond onderkent het succes van de formule. “Zo'n kampioenschap heeft nu toch meer cachet gekregen. Nu kunnen bijvoorbeeld ook sterren als Jennie Gal op zo'n kampioenschap worden gepresenteerd.” Voorbeelden van een dergelijke opzet in het buitenland zijn er niet. Mogelijk Japan, maar daar wordt met hand en tand het oude judoprincipe verdedigd dat kleintjes van groten moeten kunnen winnen.

Vrouwenjudo

Internationaal heeft de Nederlandse titel in de laagste open klasse geen enkele betekenis, eenvoudigweg omdat op Europees- en wereldniveau deze categorie niet bestaat. En de kans dat ze ooit op het programma komt is uiterst klein. Op de Olympische Spelen wordt om organisatorische redenen al sinds twintig jaar zelfs geen plaats meer ingeruimd voor 'alle categorieen'. De judowereld mag al blij zijn dat het vrouwenjudo in Barcelona voor het eerst de Olympische status heeft. Dat lijkt het laatste succesje op dit niveau. Hoogendijk vernam onlangs tot zijn schrik tijdens de bijeenkomst van de Europese federatie van Olympische sportbonden in Nederland dat judo als Olympische sport allerminst sterk staat. Judo mag dan een van de meest verspreide sporten zijn, veel zeggenschap hebben de vertegenwoordigers niet bij het IOC.

Hoogendijk: “Dat het vrouwenjudo is geaccepteerd hebben we te danken aan de oud-voorzitter van de wereldjudofederatie Charles Palmer. Die heeft zitting in een van de medische commissies van het IOC en in die functie kan hij nog wat voor de judopromotie doen.”

Met name van IOC-lid Anton Geesink mag worden verwacht dat hij blijft vechten voor het Olympische judobestaan. Juist op grond van zijn judo-achtergrond is hij destijds door voorzitter Samaranch gevraagd lid te worden. Toch heeft Hoogendijk het sterke vermoeden dat Geesinks macht maar klein is. De vraag is bovendien of Geesink tegenwoordig niet andere dan judo-belangen laat prevaleren.

Op de mat werd zaterdag een belangrijke strijd uitgevochten tussen Angelique Seriese en Monique van der Lee (beiden in de zwaarste klasse). De eerste is slechts een half jaar hersteld van een vijftal knie-operaties. Daardoor was ze vorig jaar afwezig bij de kampioenschappen alle categorieen en won Van der Lee. Seriese, wier positie bedreigd leek te worden door het Tilburgse tienerduo Van der Lee en Monique Aarts, heroverde zaterdag haar titel door achtereenvolgens beide concurrentes te verslaan; al was de manier niet overtuigend. In de laagste klasse was Jennie Gal de sterkste. Bij de mannen waren Ben Spijkers (boven 78), na winst op kampioen Theo Meijer, en Louis Wijdenbosch (tot 78) de succesvolste judoka's.