De Smekelingen van Aeschylus bewerkt tot buurthuistoneel

Voorstelling: De Smekelingen van Aeschylus door Theater van het Oosten. Vertaling: Gerrit Komrij. Regie: Agaath Witteman. Decor: Keso Dekker. Spelers: Otto Sterman, Jules Croiset, Henri Overduim e.a. Gezien: 5-1 Schouwburg Arnhem. Nog te zien: aldaar t-m 9-1 (aanvang 20.00 uur). Daarna t-m 1-3 in de rest van het land.

Aan het slot van Aeschylus' De Smekelingen (463 voor Chr.) laat de feministische regisseur Agaath Witteman het uit opstandige vrouwen bestaande koor een zinnetje isoleren: “En laat hem [Zeus] de zege gunnen aan de vrouwen.” Is het haar daar om begonnen? Nee, althans niet uitsluitend. De vrouwen in kwestie zijn immers ook nog asielzoekers: verschoppelingen in het kwadraat dus. En zo'n positie kan op Wittemans onverbiddelijke sympathie rekenen.

Zelfs als het stuk, laten we zeggen, zich niet direct voor enscenering leent. Het koor is de protagonist - hetgeen identificatie er niet gemakkelijker op maakt - en het verhaaltje is in een volzin verteld. Omdat zij niet met hun neven willen trouwen, vluchten de vijftig dochters van Danaos van Egypte naar Griekenland waar zij asiel vragen en - na raadpleging door koning Pelasgos van het parlement - krijgen, vlak voordat hun neven hen, op straffe van oorlog, komen opeisen. De vlucht is bij aanvang van het stuk al een voldongen feit, de enscenring betreft slechts de bijzinnen.

De wetenschap, dat het koor in de oorsponkelijke Griekse enscenering zong en danste, heeft Wittemans probleem opgelost. Zij heeft van De Smekelingen een musical gemaakt. Chorusline-gewijs worden strofen en antistrofen onverstaanbaar soldaat gemaakt. De bijbehorende gemoedsstemmingen krijgen hun beslag in - door Naomi Gedo gechoreografeerde - dansen. Afrikaans percussiewerk zorgt voor opzwepende swing.

Het koor (een bende barbaren, in Griekse ogen) bestaat uit zwarte vrouwen: Witteman laat aan duidelijkheid niets te wensen over. Bovendien zijn haar bedoelingen lofwaardig - maar is het resultaat dat ook? Ik vrees van niet. De typecasting van zwarten is in dit geval behalve een oplossing ook een probleem. Daar staan ze weer, weggedrukt in hun aloude succesrol. Nooit zien we ze in een Tsjechov, Shakespeare of Noren, maar voor tribale zang en dans worden ze gastvrij genood. Repressieve tolerantie heet dat, geloof ik.

Ik betrap mezelf op de wens Wittemans flirtation met ons allochtone acteursbestand mooi te vinden. Maar dat vind ik niet, het is buurthuiswerk - en dat is het. De uitvoering van dit toch al twijfelachtige idee is onder de maat en de liedje-woordje-dansje-regie vervelend en voorspelbaar. “Sympathiek” is de verdienste in dit soort gevallen altijd, maar zelfs daar ben ik niet zeker van. Dat compliment is even dubieus als Wittemans concept.