De nieuwe kaders van Pronk

De titel is pretentieus: 'Nieuwe kaders voor ontwikkelingssamenwerking in de jaren negentig'. De omvang indrukwekkend: 370 pagina's, vier keer zo lang als de beleidsnota van minister Andriessen. En de inhoud? Ik denk niet dat wij aan de universiteit dit werk gaan aanbevelen aan onze studenten. Ik heb de afgelopen twee dagen de nota in haar geheel gelezen, maar heb nu al m'n aantekeningen nodig om te weten wat er aan opmerkelijks in stond.

Zo saai is het proza, en zo grondig is de anders zo flink gebekte minister er deze keer in geslaagd om controverse te verdoezelen. Het is ook helemaal niet waar dat de nota nieuwe kaders schetst voor de ontwikkelingssamenwerking. Dit is oud beleid verpakt in nieuwe gemeenplaatsen.

Overigens is dat geen schande. Naar internationale maatstaven is Nederland al lang royaal met ontwikkelingshulp, ook onder de voorgangers van Pronk. Diens ongenereuze uitspraken nog voor zijn benoeming over oud-minister Bukman worden in de nota niet onderbouwd. Wat het stuk biedt is hoofdzakelijk een abstract overzicht van de ontwikkelingssociologie, maar dan geschreven door ambtenaren voor ambtenaren. Proef zo'n zin: “In dit verband is het interessant te constateren dat op de reeds eerder genoemde Afrika-bijeenkomst politieke consensus bestond over het feit dat het ontwikkelingsproces in Sub-Sahara Afrika stagneert ten gevolge van niet alleen externe, doch ook interne factoren.” (p. 230).

Tot zo ver de platitudes, maar waar zijn de nieuwe kaders voor de jaren negentig? Terecht heeft de Tweede Kamer veel kritiek gehad op de Nota, omdat helemaal niet duidelijk wordt wat nu de gevolgen zijn voor het beleid. Laten we het diplomatiek taalmisbruik verlaten en in een geval man en land bij de naam noemen. In Tanzania - een land dat veel geld van ons krijgt - is in juni 1990 het tijdvak Nyerere eindelijk afgesloten. Bijna 25 jaar was 'Mwalimu' alleenheerser en zelfs daarna bleef hij zich nog bemoeien met het beleid van zijn opvolger. Al die tijd was Nederland een van de grote donorlanden en hielp het met massieve steun om een heel slecht beleid in stand te houden. Waarom? Omdat Nyerere in het Zuidafrikaanse conflict aan de goede kant stond, en omdat hij zich bekwaam en sympathiek tot tolk maakte van vijandige sentimenten in het Westen tegen de Verenigde Staten en tegen het Internationale Monetaire Fonds.

Toen ik twintig jaar geleden zelf in het naburige Kenia werkte, was ik ook onder de indruk van Nyerere. Allicht, want hij sprak over de schande van Vietnam, terwijl collega-president Kenyatta het te druk had met het bevoordelen van stamgenoten. Nyerere was persoonlijk niet corrupt. Het analfabetisme daalde in Tanzania aanvankelijk sneller dan in Kenia (ook altijd een sterk punt van Castro in Cuba geweest!) en er kwam drinkwater op het platteland. In diezelfde tijd zag ik in Kenia vaak genoeg een zoveelstehands Mercedes voor de boerderij staan, maar wist dat de boerin nog met een jerrycan op het hoofd een half uur moest lopen om water te halen. Het sobere socialisme van Nyerere leek heel wat sympatieker dan de wild-west economie in Kenia.

Later werden de cijfers echter onweerspreekbaar. Kapitalistisch Kenia groeide; Tanzania zakte steeds dieper weg. Nyerere gaf van alles de schuld aan externe factoren: de oliecrisis, de gedaalde vraag naar sisal, de oorlog tegen Amin in Uganda. En wij hadden niet de moed om hem tegen te spreken, want Nyerere maakte toch zo'n sympatieke indruk. Zo werd Nederland medeschuldig aan het voortduren van een van de slechtste regeringen ter wereld, gemeten aan de voortdurend negatieve ontwikkeling van de economie.

Tanzania was zo afhankelijk van ontwikkelingshulp - meer dan tien procent van de economie - dat als Nederland en de Scandinavische landen een lijn hadden getrokken, zij best een meerpartijensysteem en een vrije pers hadden kunnen afdwingen. Dat zijn essentiele condities om corruptie tegen te gaan en de vrije sector van de economie te beschermen tegen de tentakels van de staat. De burgers van Tanzania en Zanzibar zouden ons dankbaar zijn geweest. Maar nee, Nederland hield het regime in leven: 25 jaar staatssocialisme dank zij de buitenlandse hulp.

Ontwikkelingsgeld komt voor een deel goed terecht bij de arme burgers, maar betekent tevens dat hun slechte regering langer blijft zitten. We kennen dit dilemma intussen ook uit Oost-Europa en daar is een andere consensus gegroeid: eerst een vrije economie, dan pas geld van buiten. Ik begrijp niet waarom we die discussie vrijmoedig kunnen voeren als het gaat om Rusland of Bulgarije, maar waarom minister Pronk zich beperkt tot makkelijke cliche's. Hij weigert om onze grote financiele invloed in Afrika net zo in te zetten als dat nu gebeurt in Oost-Europa. Op de al geciteerde passage volgt: “Afrikaanse politieke leiders hebben duidelijk gemaakt zelf vorm en inhoud te willen geven aan democratiseringstendensen op het eigen continent.” Tot nog toe hebben zij zich langzaam gehaast, dus waarom zouden wij de dictators onconditioneel blijven steunen voordat democratie en vrije pers zijn gearriveerd?

Uit niets blijkt dat Nederland eisen stelt voor de honderden miljoenen die wij jaarlijks schenken aan Afrikaanse eenpartijstaten. Laten wij onze steun reserveren voor landen (India, Pakistan, Uganda etc.) met een vrije pers en een meerpartijensysteem.

Waarom geeft Nederland bij voorbeeld nog geld aan Kenneth Kaunda, de alleenheerser van Zambia, die een bijna even slecht economisch beleid voert als Nyerere? Ik weet het antwoord wel: Kaunda was gastheer voor het ANC dat vocht voor een vrij Zuid-Afrika en kan dus op steun rekenen van de ANC-lobby in Nederland. Die wijt Kaunda's falen aan externe factoren zoals de lage koperprijs en de onrust in Zuid-Afrika. En minister Pronk durft niet verder te gaan dan de flauwe uitspraak dat de stagnatie in Afrika ook interne factoren heeft.

Als een blinde Sinterklaas strooit Pronk onze miljoenen uit over Afrika. Ook tijdens zijn eerste periode als minister kreeg hij dezelfde kritiek die in het laatste debat bijna kamerbreed werd herhaald: “Sinds deze minister aan het bewind is wordt de hele wereld meegenomen”, constateerde Kamerlid Waalkens (VVD) al in 1975. Ik ben een groot voorstander van veel ontwikkelingshulp, maar dan wel - net als nu in Oost-Europa - met duidelijke condities. Geen hulp bij investeringen in landen die de politieke oppositie onderdrukken en de pers knevelen.

In een recent interview met 'De Werkgever' zei minister Pronk: “Ik ben wel anti-macht, maar niet anti-markt.” Tijdens zijn eerste regeerperiode noemde hij dan de macht van de multinationals. Dat was makkelijk, maar nu zou anti-macht moeten betekenen: tegen dictatuur en eenpartijstaat in Afrika. Dat moedige geluid hebben we nog niet van de minister gehoord.

    • E. J. Bomhoff