Amerikanen verheugen zich niet op gewapend conflict; Bush nog geen John Wayne

Zoals hoort bij een duel is de omroepmaatschappij CBS begonnen met aftellen tot de vijftiende januari, de dag van het VN-ultimatum aan Irak om zich terug te trekken uit Koeweit. Countdown to confrontation, 9 days, staat er vanavond groot naast de nieuwslezer op het televisiescherm. CBS telde in 1980 ook elke dag dat Amerikaanse diplomaten in Teheran gevangen zaten. De publieke omroep zoekt het in tetterende aankondigingen van 'the great debate' over oorlog of niet. Elke avond wordt er een bijdrage aan het debat uitgezonden. Een tv-spot met Amerikaanse vlaggen roept op tot steun aan de troepen.

Tijdens een wedstrijd van Amerikaans football in El Paso maakte de sportomroeper de kijkers erop attent dat er Amerikaanse soldaten in het publiek zaten op kosten van de sponsor, de verzekeringsmaatschappij John Hancock. De kijkers zagen vervolgers rijen juichende soldaten. Een muurschildering in het stadion toonde een adelaar die op een prooi afvloog met daaronder de tekst: “Ga Desert Shield, versla Irak”. In andere footballwedstrijden hadden spelers Amerikaanse vlaggetjes op de helmen. Dit soort lawaaiigheid gaat vaak aan oorlogen vooraf, maar toch ontbreekt er iets.

President Bush kan John Wayne niet spelen en in dat onvermogen vertolkt hij de Amerikaanse gevoelens. Bush demonstreert niet de kalme vastberadenheid van zijn voorganger Reagan maar hij vertoont de wisselvalligheid van een acteur die zichzelf op het toneel nog moet overtuigen. Dat brengt hem ook tot extreme uitspraken over Saddam Hussein als “we trappen hem voor zijn kont”.

In het televisietijdperk worden dergelijke moeilijke momenten meedogenloos vastgelegd en ook de sterke man van Irak moet dat op het commerciele televisiestation CNN kunnen zien. Als Bush een toespraak houdt over het Amerikaanse Golfbeleid, krijgt hij soms plotseling last van een kabbelende spreekstijl. “Het gaat hier om ... .(dan gaat hij ineens met een grimmig gezicht over op een woedende toon) Agressie, Naakte Agressie”. Zowel Bush als zijn gehoor blijft na zo'n uitbarsting onbevredigd achter. Meent hij het? Was het wel de goede reden voor de Amerikaanse mobilisatie? Zei hij het gisteren niet anders ? Moet het niet nog beter worden gezegd?

De Amerikaanse president kan niet worden verweten dat hij onduidelijk is geweest. In veel toespraken heeft hij talrijke motieven gegeven voor de Amerikaanse aanwezigheid in de Golf maar hij mist de magische band met zijn gehoor. Toen hij vorige week voor de televisie werd geinterviewd door David Frost laadde hij zichzelf emotioneel op met de resultaten van een rapport van Amnesty International over wreedheden in Koeweit. Hij eindigde zijn relaas door buiten adem, bijna snikkend aan Frost te zeggen: “We moeten er tegen optreden. We moeten er iets tegen doen!”

Bush was hier geen John Wayne maar de hulpeloze sheriff die John Wayne op pad stuurt om de schurk te pakken. Het ontbreekt Bush niet aan een overtuiging maar aan publieke overtuigingskracht. Hij is rustiger dan hij zich voordoet. “U bent de eerste die mij van welsprekendheid beschuldigt”, zei hij afgelopen week tegen David Frost.

Waynes leerling Ronald Reagan, beheerste de retorische stijl daarentegen perfect. Maar zijn oorlogjes in Grenada en boven de Middellandse Zee waren kort en symbolisch. Bush, die met een veel grotere oorlogsdreiging heeft te maken, begrijpt de regels van het pokerspel en de werelddiplomatie aanzienlijk beter dan Reagan maar kan geen pokerface opzetten. In alles verraadt hij dat hij zich ongemakkelijk voelt bij het vooruitzicht van oorlog. En dat geldt voor de meeste Amerikanen. “Voor de Perzische Golf in augustus explodeerde, leek het voeren van een oorlog het zelfde als het hebben van seks in de tijd van veilige seks - je vroeg je af of het voor Amerikanen eigenlijk wel mogelijk was”, schreef Henry Allen afgelopen vrijdag in de Washington Post.

Volgens de meeste opiniepeilingen vindt bijna twee op de drie Amerikanen dat deze oorlog moet worden gevoerd en naarmate de strijd nadert kan die steun toenemen. Maar de sfeer is er eerder een van doffe berusting dan van enthousisasme. Niet de dreigende woorden van Saddam maar de voorspellingen van Amerikaanse specialisten jagen de angst aan. Computers produceren scenario's met 10.000 Amerikaanse doden, 20.000, 30.000 en weinigen betwijfelen dergelijke hoge cijfers. Geen snelle zegetocht maar een overwinning tegen hoge kosten.

Ook de strandende economie ondergraaft het zelfvertrouwen in de Verenigde Staten. Mensen worden bij duizenden ontslagen. Vrijdag werd bekend dat de werkloosheid gestegen was naar 6, 1 procent, zeer hoog voor de Verenigde Staten. Afgelopen kerstmis bleven de luxe-warenhuizen akelig leeg. De kopers in feestelijk ingerichte J. C Penny, Macy's of Sear's hadden weinig te besteden uit angst voor wat de toekomst hun zou brengen. Sommige economen voorspellen een verdrievoudiging van de olieprijs bij een Golfoorlog.

Vorige week gaf een econoom van het Witte Huis voor het eerst toe dat Amerika in een economische recessie is beland. En president Bush schuift de oorzaak op de door de onrust in de Golf veroorzaakte stijging van de olieprijs. Een oorlog met een snelle overwinning zou een einde maken aan de onzekerheid. Maar veel Democraten betwijfelen juist of het snel is afgelopen. Zij weten ook dat de opiniepeilingen meteen zullen omslaan als het lang duurt en als er veel slachtoffers zullen vallen.

De politieke wetenschapper John Mueller heeft studie gemaakt van de publieke opinie bij voorafgaande oorlogen. Bij een vertienvoudiging van het aantal doden (van duizend naar tienduizend, van tienduizend naar honderdduizend) daalt de steun voor een oorlog met gemiddeld 15 procent van de Amerikanen. Uiteindelijk blijft er een harde, kleine minderheidskern oorlogssupporters over. “Het slechte nieuws voor Saddam Hussein is dat de meeste Amerikanen bereid zijn een oorlog in het Midden-Oosten te aanvaarden. Het verontrustende nieuws voor George Bush is dat de publieke opinie geen lange en bloedige oorlog kan dulden. Als er steun voor oorlog is, is het voor een korte”, schreef Richard Morin, directeur voor opiniepeilingen van de Washington Post.

Zoals generaals altijd denken aan de laatste oorlog, zo is voor de Amerikanen het debacle in Vietnam het enige orientatiepunt. Bush vergelijkt het conflict zelf liever met de “goede oorlog” tegen Duitsland en Japan waaraan hij zelf heeft deelgenomen. Maar die oorlogen begonnen heel anders, met duidelijke standpunten over goed en kwaad. De strijd tegen het fascisme en later het communisme werd op de kansel gepreekt. Nu verkondigen veel kerken vrede en vernemen Amerikanen ontzet dat aalmoezeniers in het Islamitische Saoedi-Arabie het kruisje op hun revers moeten bedekken. How unamerican, denken ze. foto: De anti-oorlogsoptocht die afgelopen zaterdag langs het Witte Huis in Washington trok was slechts 250 betogers groot, maar volgens de verwachtingen die aan de jongste Amerikaanse opiniepeilingen zijn ontleend, zullen die aantallen de komende dagen snel oplopen.

    • Maarten Huygen