ZOVEEL PSYCHISCH LEED

Neurosen in Nederland. Vijfentachtig jaar psychisch en maatschappelijk onbehagen

door Giel Hutschemaekers

288 blz., SUN 1990, f 39, 50

ISBN 90 6168 327 0

'Mensen vinden het niet gewoon meer om depressief te zijn of geen plezier in hun werk of leven te hebben. Ik denk niet dat we ons nog kunnen voorstellen hoeveel ellende mensen vroeger moesten slikken. Het moet een voortdurend tranendal van menselijke ellende zijn geweest.' Aldus het antwoord van een ervaren psychiater op de vraag of de stijgende roep om hulp bij psychische problemen er ook op wijst dat de samenleving mensen voor steeds meer problemen stelt. Voor hem staat het allesbehalve vast dat er meer psychische problemen zijn dan vroeger: mensen zoeken hooguit eerder hulp.

Een collega valt hem bij. Hij gelooft er niets van dat steeds meer mensen hyperventileren: dat deden mensen vroeger ook, alleen werd de hyperventilatie toen niet onderkend. En het kan best zijn dat psychiaters tegenwoordig minder klassieke gevallen van hysterie tegenkomen dan vroeger, maar ook dat zegt weinig: “ Ga maar eens kijken naar een discofeest: wat daar allemaal gebeurt, wat je dan allemaal ziet aan hysterische verschijnselen, dat is ongelooflijk.”

Deze psychiaters zijn uitgebreid aan het woord in Neurosen in Nederland. In dit proefschrift behandelt Giel Hutschemaekers de vraag hoe de ontwikkeling van neurotische problematiek gedurende deze eeuw in Nederland begrepen moet worden. Alleen al de cijfers over het aantal aanmeldingen bij hulpverleningsinstellingen geven daar reden toe. Tegenwoordig bezoekt jaarlijks zo'n drie procent van de Nederlandse bevolking een gespecialiseerde instelling voor geestelijke gezondheidszorg; vijftien jaar geleden moet dat ongeveer half zo veel zijn geweest (exacte cijfers ontbreken).

Hutschemaekers ging te rade bij vijfentwintig 'ervaren psychiaters', die hij ondervroeg over het verleden. Hun antwoorden, zo concludeert Hutschemaekers, zeggen meer over de geinterviewden dan over de vraag of er tegenwoordig meer neurosen zijn dan vroeger. De cultuurpessimisten onder de psychiaters zien in alles een indicatie voor een samenleving die steeds meer lijdt aan stress. De afstandelijken zien de aandacht voor psychische problemen wel veranderen, maar de hoeveelheid problemen zelf niet. En de voorzichtigen menen dat het niet doenlijk is een goed antwoord te geven op de vraag; daartoe is het klinisch oordeel in de psychiatrie te weinig betrouwbaar, net als het geheugen van de psychiater.

Om toch zijn antwoord te krijgen, ondernam Hutschemaekers ook een historisch dossieronderzoek. Meer dan vijfduizend dossiers, afkomstig uit zeven psychiatrische ziekenhuizen, een polikliniek en de praktijk van een zelfstandig gevestigde psychiater werden gecodeerd. De dossiers reiken terug naar het begin van deze eeuw. Uit de veelheid aan gegevens haalt Hutschemaekers er een aantal naar voren. Zo blijkt de frequentie van gerapporteerde lichamelijke klachten in de loop van de tijd gedaald. Het aantal 'psychische' klachten neemt echter toe: patienten rapporteren in toenemende mate depressiviteit, angst, relatie-, identiteits- en assertiviteitsproblemen.

Hutschemaekers gebruikt deze gegevens niet om er de conclusie aan te verbinden dat er steeds meer psychisch leed is. Hij tracht er een andere stelling mee te illustreren: steeds meer onwelgevallige situaties worden begrepen als psychisch probleem. Daarvoor heeft hij ten minste twee indicaties. Wanneer maatschappelijke ontwikkelingen langs een directe weg psychisch leed zouden veroorzaken, zou je verwachten dat het aantal klachten over angst rond de Tweede Wereldoorlog steeg. Het aantal angstklachten blijkt in die periode echter te dalen. Op het moment dat er een reele bedreiging is, duiden mensen hun onbehagen blijkbaar niet meer als psychische klacht. Een vergelijkbare ontwikkeling deed zich voor in de jaren dertig. De economische recessie leidde tot een afname van depressieve klachten bij werklozen: hun problemen hadden een reele oorzaak, en ze hoefden hun onbehagen niet als iets psychisch te benoemen.

SZASZ

Hutschemaekers grijpt zo terug op een gedachte die door de psychiater Thomas Szasz beroemd geworden is: psychische kwalen zijn een kwestie van etikettering. Hutschemaekers gaat echter verder dan Szasz. Achter het etikketteringsproces schuilt bij hem geen expansieve beroepsgroep die steeds meer mensen in haar greep wil krijgen, noch een onverdraagzame samenleving die alles wat haar niet welgevallig is, (psychische) ziekte noemt. De namen die mensen aan hun toestand en hun gedrag geven, zijn voor Hutschemaekers per definitie sociale constructies. De benoeming en interpretatie van alle gevoel en gedrag komt tot stand in een ingewikkeld proces waarin uiteenlopende factoren een rol spelen, die zowel op microniveau te vinden zijn, zoals de interactie tussen psychiater en patient, als op macroniveau, zoals heersende culturele stereotyperingen.

Neurosen in Nederland is een pleidooi voor een 'historisch-contextualistische' benadering van menselijk gedrag. Daarin schuilt de kracht en de zwakte. Het boek laat niet zien hoe constructies tot stand komen, en geeft evenmin antwoord op de vraag of, als alles geconstrueerd is, de ene constructie misschien verkieslijker is dan de andere. Het rekent echter wel af met al te naieve voorstellingen over de aard van psychische problemen.

    • Peter van Lieshout
    • Verbonden aan het Nederlands Instituut voor Zorg