Zoeken naar het wezen van de perzikhuid; Anders dan de lelie of de roos kleeft er weinig symboliek aan de tulp

Tentoonstelling: Flora's schatkamer. Het bloemmotief in de Europese kunst en kunstnijverheid. T-m 10-3 in Noordbrabants Museum, 's-Hertogenbosch. Open: di t-m vrij 10-17 uur, za en zo 12-17 uur. Catalogus: fl. 17, 50.

In een van zijn geschriften over botanica, maakt Goethe een onderscheid tussen de moderne en ouderwetse bloemschilder. Legt de ouderwetse kunstenaar vooral de bloemenpracht in sierlijk aangelegde tuinen van broodheren vast, en hoeft hij zich dus bijna uitsluitend om de oppervlakkige schoonheid van een bloem of plant te bekommeren, dan heeft zijn moderne collega een andere en veel moeilijkere opgave. Hij moet zijn oordeel over wat mooi en lelijk, over wat nuttig en schadelijk is opschorten. Wil de kunstenaar “de natuurlijke fenomenen in hun essentie en in hun onderlinge verhoudingen begrijpen”, dan moet hij “deze norm voor goed- en afkeurig, voor aantrekking en afstoting, voor het nuttige en het schadelijke vermijden. (... ) Hij moet als een onverschillig en bijna op God gelijkend wezen speuren en wroeten in wat is, en niet in wat behaagt.”

Daarom moet een ware kunstenaar van Flora tegelijkertijd botanicus zijn. Pas na een serieuze studie van de natuur om zich heen, kan de kunstenaar ons met zijn werk inzicht verschaffen in het wezen der dingen. De lijnen van bladnerven, de glans van een kers, de harige huid van een perzik en de verschillende verschijningsvormen van anjelieren: hij moet ze kunnen dromen. Omgekeerd kan een botanicus alleen het gemoed van de toeschouwer beroeren, als hij de artistieke gave bezit om het 'wonder' van de natuur persoonlijk in beelden te vertalen. Natuur is de sleutel tot het universum.

Goethe weet dat de kunstenaar-botanicus die hij voor ogen heeft, een ideaal personage is. In werkelijkheid vind je dit evenwicht zelden. Soms domineert de spontane reactie van de tekenaar op de bekoorlijkheden van zijn onderwerp, dan weer overheerst de objectieve, meer afstandelijke benadering waarbij het karakter en de structuur van een bloem minutieus worden getekend.

Met dit onderscheid in het achterhoofd bekijk ik de vloed van op bloemen geinspireerde sieraden, schilderijen, boeken en prenten, serviezen en kleden, die op een prachtige tentoonstelling in het Noordbrabants Museum zijn verzameld. Het thema van de expositie is het bloemmotief in de Europese kunst en kunstnijverheid. De tentoonstelling werd oorspronkelijk georganiseerd door het Museum voor Kunstnijverheid (het Kunstindustrimuseet) in Kopenhagen, dat dit jaar zijn honderdste verjaardag viert.

Het Noordbrabants Museum is het enige museum dat de expositie mag overnemen. De nadruk van de expositie ligt op periodes waarin bij publiek en kunstenaars de interesse voor bloemen groot was: de zeventiende eeuw (de periode van de 'tulpomanie', de speculatieve handel waarbij tulpebollen tegen goud en diamanten afgewogen werden), de rococo (toen de bloem als decoratief element zijn definitieve intrede binnen het huishouden deed) en de art nouveau.

Uit deze periodes is een selectie gemaakt van kunstwerken waarop of waarin de bloem het onbetwiste middelpunt vormt. Een speciale aanvulling vond Margriet van Boven, directeur van het Noordbrabants Museum, echter op zijn plaats. Zij voegde een afdeling moderne en hedendaagse kunst aan de tentoonstelling toe, waaronder de amaryllissen van Mondriaan en Erik Andriesse, bloemstillevens van Jan Mankes, Floris Verster, Odilon Redon en Jan Sluiters, sieraden en objecten van Gijs Bakker en Guido Geelen. Bovendien vergrootte zij het Nederlandse aandeel met bloemstillevens van de gebroeders Van Spaendonck, Delfts aardewerk, en Loosdrechts en Rozenburgs porselein. In totaal zijn in Den Bosch bijna driehonderd voorwerpen te zien.

In de tulpenstudies van Anthony Claesz. (ca. 1607-1608-1649) vind ik het bewijs dat Goethes natuurvorsende kunstenaar bestaan heeft. De tulp is een bloem die misschien door haar uiterst gestileerde vorm, in het algemeen weinig tot de artistieke verbeelding heeft gesproken. Anders dan de lelie, de roos of de vergeet-mij-niet, kleeft er weinig symboliek aan deze van origine Turkse plant. Tulpen figureren daarom vooral in botanische boeken en florilegia. Zo zijn ook de tulpen van Anthony Claeszn. afkomstig uit plantkundige naslagwerken. Het titelblad van zijn tulpenboek toont acht roodkoper-, dieppaars- en roodgevlamde tulpen in verschillende fasen van bloei en verval. De bloemen zijn in een ovaal gegroepeerd.

Zoals het een goede botanicus betaamt instrueert Claeszn. de lezer in de eigenaardigheden van het bloemblad, de kelk, de kromming van de stengel, de meeldraden en stampers van de tulp. Bovendien is hij erin geslaagd aan deze naturalistische afbeelding een geheel eigen interpretatie te geven, waardoor de studie een meer dan documentaire waarde krijgt. Sommige bladeren zijn geknakt, andere grillig en schuin opzij gebogen. Geen enkel blad wijst fier omhoog, zoals wij dat van gezonde tulpen gewend zijn. Alle bladeren zijn aangevreten, of staan op het punt aangevreten te worden door insecten die over de planten kruipen. Zo klein als ze zijn, zijn zij de eigenlijke hoofdfiguren van de schildering, en daarmee ook verrotting.

Anders en veel 'droger' is het Berlijnse theeservies met botanisch nauwkeurig weergegeven planten (1817-1823). Dit servies ontleent, net als het eind achttiende-eeuwse 'Flora Danica'-servies uit Denemarken, zijn bloemmotieven aan wetenschappelijke botanische studies. Hoe kunstig de oospronkelijke afbeeldingen ook zijn overgebracht op porselein, temidden van vergulde biezen en stippen verliezen de seringen, lelies en distels veel van hun natuurlijke kleur en zeggingskracht. De natuur is gedomesticeerd, de bloem aan banden gelegd.

Een strikt persoonlijke vertaling van bloemen en planten vind je in de bizar vomrgegeven vazen, niet-functionele sieraden, schilderijen en foto's van moderne en hedendaagse kunstenaars. Veel van hen, zoals Bart van der Leck en Ger van Elk, laten zich inspireren door het concept van de bloem, zonder de intentie deze natuurgetrouw na te bootsen. Piet Mondriaan bedient zich in zijn Amaryllis (ca. 1909) wel van de vorm van de plant maar kiest voor de kleuren een heel eigen, tegennatuurlijk palet: de bloem is gebed in lichtblauwe wolkjes en heeft zelf ook een donkerblauwe stengel en bladeren; de binnenkant van de bloem is geel.

Bart van der Leck heeft in de Vaas met rozen uit 1925 de afbeelding tot zijn geometrische essentie teruggebracht door een ingenieuze compositie van gekleurde streepjes, driehoekjes en blokjes. De vormgever Gijs Bakker ten slotte noemt zijn Dauwdruppel (1982) een ironisch commentaar op de vrouw en op het gebruik van bloemen in kunst. Dit halssieraad - een gelamineerde foto van een knalrode roos waar de knop is uitgehaald, zodat er ruimte ontstaat voor hals en nek - is zeker bizar. Maar het zou spitsvondiger zijn geweest als Bakker het bijou voor een van zijn eigen seksegenoten had bestemd.

“De geboren kunstenaar neemt geen genoegen met de loutere observatie van de natuur; hij moet haar namaken, haar nastreven”, zei Goethe ooit. Dat is de gemeenschappelijke drijfveer van iedereen die op deze enorme tentoonstelling in Den Bosch aanwezig is, uit welke disciplines van de kunst of wetenschap men ook afkomstig is en hoe sterk het werk in vorm en doelstelling mag verschillen. 'Flora's schatkamer' doet haar naam eer aan.