Schaken

Toen de schaakopeningen hun namen kregen was er veel willekeur en lang niet altijd rechtvaardigheid. Arme Damiano. Al eeuwenlang is zijn naam verbonden aan de slechtste verdediging die er na 1. e4 e5 2. Pf3 mogelijk is, 2... f6. Alleen nog gespeeld door kleine kinderen in simultaanseances, na 2. Pxe5 fxe5 3. Dh5+ barsten ze soms in snikken uit. Niet de schuld van Damiano, hij was de eerste die schreef dat 2... f6 slecht was. Arme Euwe. In de jaren twintig was hij de pionier van een verdediging die nu een van de belangrijkste van het moderne repertoire is. 1. e4 c5 2. Pf3 e6 3. d4 cxd4 4. Pxd4 Pf6 5. Pc3 d6. Dat had de Euwe-verdediging moeten heten, maar het heet Scheveningen-systeem, omdat Euwe er in Scheveningen een keer mee verloor. De Hollandse verdediging, 1. d4 f5, heeft zijn naam niet gekregen doordat een Nederlander er succes mee had, maar doordat een zwakke schaker uit de Elzas in de achttiende eeuw in Nederland een leerboek liet drukken. De orang oetan opening heet zo door een bezoek van Tartakower aan een Spaanse dierentuin. De beweging waarmee de aap zijn banaan pakte vertoonde volgens Tartakower grote gelijkenis met de zet waarmee hij later op de dag zijn partij opende, 1. b4.

De Russen noemen het de Sokolski-opening. In de tijd dat ze deden alsof er alleen in de Sovjet Unie geschaakt werd, hebben ze zoveel mogelijk openingen omgedoopt. Zo werd de Weenink-Richter opening het Veresov systeem, de Tartakowervariant van het damegambiet werd het Bondarevski-Makogonov systeem, de Pircverdediging werd naar de onbekende Russische schaker Oefimtsev genoemd en de Richtervariant van het Siciliaans werd de Rouzervariant. Misschien komen er nu weer Russische schaakschrijvers die de openingen hun westerse namen zullen teruggeven, als boetedoening voor de misdaden uit het verleden.

Hoe heet de opening 1. Pc3? Euwe noemde het de Heinrichsen opening. Wie was Heinrichsen? Geen schaker die het nog weet. Andere auteurs schijnen de opening genoemd te hebben naar al even onbekende spelers als Dunst en Hanke of zelfs naar Sleipner, een mythologisch Noors paard met acht benen.

Al die verschillende namen zijn een teken dat de zet door de theorie nooit serieus is genomen. Ten onrechte. Vorig jaar schreef ik over een landenwedstrijd tussen Nederland en Frankrijk. Iemand had een artikeltje van Jongsma over de zet 1. Pc3 meegenomen. Van der Wiel en Ligterink leek het wel wat. Ze speelden de zet waaraan ze vroeger nooit een gedachte besteed hadden en wonnen daverend.

Nu is er een boekje uitgekomen, geschreven door D. D. Van Geet. '1. Pc3. The Van Geet Opening.' Het is de uitgever Interchess die de verantwoordelijkheid neemt voor de nieuwe naam van de opening. In het algemeen ben ik geen voorstander van naamsveranderingen, maar Van Geet heeft het wel verdiend dat de zet 1. Pc3 naar hem genoemd wordt.

Hij is vooral correspondentieschaker tegenwoordig. De uitgever schrijft dat Van Geet alle correspondentietoernooien waar hij aan mee deed heeft gewonnen en zo bij de top tien van de wereld is gekomen. Bijna al zijn witpartijen opende hij met 1. Pc3.

Het is verbazend hoe groot de schok van het nieuwe kan zijn, ook al komt het nieuwtje in een brief, die in alle rust beantwoord kan worden. Kijk dit eens.

Wit Van Geet-zwart Sande, correspondentiepartij 1986.

1. Pb1-c3 d7-d5 2. e2-e4 d5xe4 3. Pc3xe4 e7-e5 4. Lf1-c4 Lf8-e7 5. Dd1-h5 Pg8-h6 6. d2-d3 Zwart gaf op. De zwartspeler is niet zo slecht als hij hier lijkt, want tegelijkertijd speelde hij in de finale van het wereldkampioenschap. De schakers zijn er niet meer aan gewend dat ze al op de eerste zet moeten nadenken. Van Geet weet nog drie andere correspondentiepartijen te noemen, die precies op dezelfde manier verliepen.

Een interessant boekje. De moeilijkheden die zwart na 1. Pc3 heeft, zijn beslist groter dan ik altijd had gedacht. Neem bijvoorbeeld de stelling die ontstaat na 1. Pb1-c3 e7-e5 Dit zal vooral gespeeld worden door mensen die gewend zijn om 1. e4 te beantwoorden met 1... e5. Ze doen er verstandiger aan om hier 1... Pf6 te doen. 2. Pg1-f3 Pb8-c6 3. d2-d4 e5xd4 4. Pf3xd4

Zwart hoopt dat wit op de volgende zet 5. e4 zal spelen, dan wordt het Schots en dat kent hij. IJdele hoop, de stelling biedt wit andere mogelijkheden. Van Geet laat zien dat zwart na 4... g6 5. Pd5! al heel slecht staat: 5... Lg7 6. Pb5 en wit wint, of 5... a6 6. Lg5! f6 7. Lh4 Lg7 8. e4 Ph6 9. Lc4 met prachtig spel voor wit. In Van Geet-Sokolov, Wijk aan Zee 1970, stond wit na 9... Pa5 10. e5 al gewonnen. Dan maar 5... Pf6 in de diagramstelling, dat kan niet slecht zijn, zou je denken. Maar in Van Geet-Donner, Amsterdam 1970, had wit na 6. Lg5 Le7 (of 6... d6 7. Lxf6 Dxf6 9. Pdb5 en wit wint) 7. Pf5 0-0 8. Pxe7+ Dxe7 9. Pd5 groot voordeel.

De zet 1. Pc3 is natuurlijk geen wonderwapen, maar heel geschikt tegen mensen met een rigide openingsrepertoire, de mensen die alles weten van hun favoriete varianten en verder niets.

In zekere zin is de mooie tijd voor de 1. Pc3-spelers nu voorbij. Er was geen goed boek over de zet en de zwartspelers moesten zelf nadenken. Van Geet heeft nu alles opgeschreven en het zichzelf voor de toekomst een stuk moeilijker gemaakt.

Bij het studiemateriaal vond ik nog een partij van een schaker die in openingsboeken zelden genoemd wordt.

Wit Napoleon Bonaparte-zwart Madame de Remusat.

1. Pb1-c3 e7-e5 2. Pg1-f3 d7-d6 3. e2-e4 f7-f5 4. h2-h3 f5xe4 5. Pc3xe4 Pb8-c6 6. Pf3-g5 d6-d5 7. Dd1-h5+ g7-g6 8. Dh5-f3 Pg8-h6 9. Pe4-f6+ Ke8-e7 10. Pf6xd5+ Ke7-d6 11. Pg5-e4+ Kd6xd5 12. Lf1-c4+ Kd5xc4 13. Df3-b3+ Kc4-d4 14. Db3-d3 mat. Er zijn meer partijen tussen deze twee spelers overgeleverd, alle gekenmerkt door drieste cavallerie-acties van Napoleon. Dat klopt te mooi om waar te zijn, waarschijnlijk zijn ze verzonnen door bewonderaars.

    • Hans Ree