Palacsinta

Mijn Hongaarse vriendin had nog nooit de zee gezien.

Een bezoek aan Nederland kon niet voorbijgaan zonder een dagje naar het strand. Op weg naar de kust vroeg ze mij de zee te beschrijven.

Zij woont aan het Balatonmeer, het grootste meer van Midden-Europa. Haar dorp ligt aan de zuidoever. Daar zijn kaden aangelegd met grasvelden en bomen. De mensen liggen er op het gras in de zon of dalen langs trappetjes af om te baden.

In de verte zie je de contouren van glooiende heuvels. Alleen als er mist hangt is de overkant niet te zien. Soms, wanneer het stormt, staan er schuimkoppen op de golven. Maar het specifieke van “De zilveren spiegel” is de kalme, serene atmosfeer, de glans van het water.

“Stel je de Balaton voor zonder overkant. De oever een brede, kilometers lange zandvlakte. Het water komt naar deze oever stromen in golven die bulderend over elkaar heen rollen.” Het liefst had ik haar een indrukwekkende branding laten zien, met een Noordwesterstorm. Maar we troffen een zonnige, kalme winterdag, zuidoostenwind, het strand bezaaid met kwallen. De zee spoelde rustig af en aan. Aangenaam weer voor mijn Hongaarse vriendin, die niet zo dol is op onze felle wind.

Het brede, onafzienbaar lange strand vindt ze een sensatie; het water dat vrij aan je voeten spoelt. De kwallen lijken haar wezens uit een andere wereld, wonderschoon. Bestaat er in het Hongaars een woord voor kwal? Ze weet het niet. Maar het opwindendst vindt ze de horizon: die smalle lijn tussen lucht en water op het raakvlak van twee kleuren. Latohatar, het Hongaarse woord voor horizon betekent: de grens van wat gezien wordt.

We staan lang bij de vloedlijn en kijken hoe de smalle schuimranden van de golven over elkaar heen het strand oplopen. “Palacsinta!”, roept ze opeens. Even begrijp ik haar niet, maar dan zie ik het ook. De golven, uitwaaierend op het Noordzeestrand, lijken op flensjesbeslag, uitvloeiend in een koekepan. Palacsinta, een nationaal Hongaars gerecht.

Zij had haar referentiepunt gevonden.

    • Annemarie Fennema