OP ZOEK NAAR EEN ANDER OMHULSEL

Een dubbel bestaan: Travestieten en hun omgeving

door A. Verschoor en J. Poortinga,

152 blz., Swets en Zeitlinger 1990, f 34, 50

ISBN 90 265 1090 X

Het is al weer zo'n tien jaar geleden dat ik bij het verlaten van een nachtcafe op de stoep een vrouw zag huilen. Ik vroeg haar of ze hulp nodig had. Een betraand grof gezicht keek naar me op en snauwde met een basstem: “ Lazer op!” De schok: het is een man, een man in vrouwenkleren. Een paar maanden later begon ik met een onderzoek waarbij ik twee jaar lang bezoeken bracht aan de 'TenT-avonden' die de NVSH voor travestieten en transseksuelen organiseerde. In 1982 verscheen mijn Vriendinnen onder elkaar. Travestieten en transseksuelen in Nederland.

Het is dus ten onrechte dat het recent gepubliceerde boek Een dubbel bestaan. Travestieten en hun omgeving wordt aangekondigd als 'het eerste onderzoek naar travestie'. Maar ik ben blij dat ik het niet uit gekwetste ijdelheid terzijde heb gelegd: travestie blijft een boeiend en veelal verborgen fenomeen en de auteurs van Een dubbel bestaan - de psychologen Anton Verschoor, Janke Poortinga en Bram Kuiper - zijn al jaren werkzaam op het gebied van travestie en transseksualiteit.

Hun boek is bestemd voor travestieten en voor mensen in hun directe omgeving: partners en familieleden, hulpverleners, artsen, psychologen. Maar het is ook voor niet-ingewijden lezenswaardige materie. Vooral de met veel citaten gelardeerde hoofdstukken over hoe het is om travestiet te zijn.

Anton Verschoor beschrijft hoe travestie een typisch mannenprobleem is. Vrouwen kunnen in onze samenleving straffeloos kleding van de andere sekse aandoen; reden waarom er nauwelijks vrouwelijke travestieten bekend zijn. Voor mannen gelden veel stringentere kledingcodes; jurken, panty's en pumps zijn voor hen taboe.

Niet alle travestieten hebben dezelfde beweegredenen voor hun 'omkleding'. Er zijn er die gedreven worden door een fetisjistische liefde voor materialen (leer, dunne gladde stoffen) of attributen (panty's, lingerie, hooggehakte laarzen). Voor hen is travestie een erotisch spel; een spel waar ze na het bereiken van een orgasme vaak met walging op terugkijken. Er zijn ook travestieten voor wie de omkleding niet of nauwelijks erotisch gekleurd is. Deze mannen vinden dat zij vrouwelijke kanten hebben die ze in hun gewone bestaan niet kunnen uiten. Eenmaal gekleed als vrouw durven ze zacht, zorgzaam, ijdel te zijn.

Janke Poortinga bevestigt in Een dubbel bestaan dat de meeste travestieten heteroseksueel en getrouwd zijn. Vrijwel zonder uitzondering hebben hun echtgenotes grote moeite met de travestie van manlief. Wanneer hij het een tijdlang voor hen verborgen heeft gehouden, voelen ze zich bedrogen. En zijn ze eenmaal op de hoogte, dan blijft de vrouwelijke creatie van hun man een geduchte concurrente. 'Zij' eist steeds nieuwe kledingstukken en dure laarzen, 'zij' vraagt steeds meer tijd, 'zij' windt de man meer op dan zijn eigen vrouw, 'zij' wil met de echtgenote vrijen, 'zij' wil de gemeenschappelijke vrienden ontmoeten, 'zij' wil er als twee vriendinnen met de echtgenote op uit. Sommige echtgenotes lukt het om de travestie van hun man te accepteren en er zijn er zelfs die hem in vrouwspersoon meer gaan waarderen dan als man. Zoals de echtgenote die in dit boek vertelt dat haar man veel zachter, invoelender en praatgrager is wanneer hij in travestie is.

Na de korte historische schets van het verschijnsel travestie door Bram Kuiper wordt Een dubbel bestaan besloten met een verslag van het vergelijkende kwantitatieve onderzoek dat Verschoor samen met Poortinga uitvoerde onder zesendertig travestieten van de TenT, tweehonderddrieentwintig transseksuelen, negenenzestig homoseksuelen van het COC, en een controle-groep van drieendertig bekenden en avondstudenten van de onderzoekers.

Anton Verschoor is verbonden aan de Stichting Nederlands Gender Centrum en heeft zo de beschikking over de dossiers van alle transseksuelen die daar geholpen zijn. Met travestie kwam hij al jaren geleden in aanraking.

' Die eerste kennismaking was in december 1969. Ik zat toen in het afdelingsbestuur van de NVSH-Amsterdam. Een travestiete man kwam naar ons toe en zei: 'Ik voel me zo alleen, ik ken niemand die net zo is als ik... kunnen jullie niet wat organiseren? ' Wij plaatsten een advertentie in Vrij Nederland waarin we opriepen voor een eerste bijeenkomst. Zeven personen kwamen erop af, allemaal keurig in mannenpak. Er werden alleen voornamen en postbusnummers uitgewisseld; het moest toen nog in het opperste geheim. Twee dingen zijn me van die eerste TenT-avond altijd bij gebleven. Ten eerste: niemand wist het verschil tussen travestie en transseksualiteit - zij niet en wij psychologen ook niet. En ten tweede: de drang van die mensen om over hun dubbelleven te kunnen vertellen. Ik was bang geweest voor een angstig stilzwijgen tussen vreemden, maar het leken wel zeven watervallen.

' Na die eerste keer zijn de bijeenkomsten zo'n vier jaar lang bij mij thuis gehouden. Dat had als voordeel dat er een overbuurvrouw was die werkte bij C en A. Ze nam stapels kleren mee die op onze slaapkamer gepast konden worden. Tot 1973 of 1974 zijn de avonden besloten geweest. Toen hebben we de knoop doorgehakt: we zouden de deur openzetten. Voortaan mochten alle geinteresseerden ook binnenkomen, mits ze zich fatsoenlijk gedroegen.'

Was bij de transseksuelen die voor een geslachtsaanpassing bij de Gender Stichting aanklopten, altijd even duidelijk of hun wens authentiek was? Hoe moesten ze u overtuigen?

' Ik ben altijd uitgegaan van het principe van zelf-diagnose. Mijn motto luidt: 'Ja, tenzij.' Ik heb altijd gezegd tegen de mensen die ik voor me kreeg: Ik zit hier om te helpen. Als je me wat op de mouw wilt spelden, moet je dat zelf weten. Maar als je toch spijt krijgt... Die van jou is er dan af maar die van mij heb ik nog. Anderzijds herinner ik me iemand die manisch-depressief bleek te zijn. Als hij manisch was, voelde hij zich vrouw; als hij depressief werd, voelde hij zich man. Dan ga je het natuurlijk niet over een geslachtsveranderende operatie hebben.'

Is uw visie op deze problematiek veranderd in de loop der jaren?

'Ik heb veel geleerd, eerst via de TenT en later bij de Gender Stichting. Aanvankelijk werd ik ongelofelijk zenuwachtig als iemand ook maar iets afweek van het geeigende patroon. Inmiddels weet ik dat je niet van tevoren met zekerheid kunt zeggen of iemand na een geslachtsveranderende operatie gelukkiger zal zijn. De enige manier om daar achter te komen, is dat proces van geslachtsaanpassing in te gaan en dan te zien hoe het uitpakt voor die persoon. In geval van twijfel vertragen we de behandeling: iemand krijgt minder hormonen voorgeschreven of het moment van de introduktie van de nieuwe geslachtsrol wordt uitgesteld.'

Is het mogelijk om je van travestiet tot transseksueel te ontwikkelen?

' We gaan er nog steeds vanuit dat het om twee verschillende identiteiten gaat. Ik geloof dat die travestieten die na jaren toch doorgaan voor transseksueel, op de vingers van een hand te tellen zijn. Hun klachten over hun mannelijke lichaam zijn ook heel anders van aard. Een transseksuele man verafschuwt zijn penis; hij plast ook vaak zittend. Een travestiet die om hormonen vraagt, doet dat omdat hij zich ergert aan de lichaamsbeharing die zijn creatie verstoort of omdat hij graag echte borsten wil in plaats van een opgevulde bh. Dat hij door het vrouwelijk hormoon zijn potentie verliest, zal een travestiet een nadeel vinden. Die partiele aanpassing door middel van hormoongebruik zonder dat daar een operatie op volgt, is overigens iets van de laatste jaren. Vooral de medici hebben aan het idee moeten wennen.'

Wat is nu de meest opmerkelijke conclusie uit uw onderzoek?

' We waren nieuwsgierig naar de ontwikkeling van travestiete gevoelens. Bij de meeste transseksuelen is het besef tot de andere sekse te horen al zo jong aanwezig dat die ontwikkeling buiten beeld blijft. Bij travestieten zie je hoe de vrouwelijke identiteit zich in de loop der jaren als een olievlek uitbreidt. Het begint met een gevonden laarsje en kan door gaan tot een dame die je in de tram niet als heer herkent. Ook voor transseksuelen geloof ik eerder in een leerproces dan in een aangeboren afwijking. We stuitten verder op opvallende overeenkomsten tussen travestieten en transseksuelen waar we die niet verwacht hadden. Een groot deel van de travestieten blijkt zichzelf in erotische fantasieen als vrouw te zien; iets waarvan we dachten dat alleen transseksuelen dat zouden doen. Wat me het meest aangegrepen heeft, is de trend die je bij travestieten ziet tot vereenzaming. Dit geldt voor de kindertijd waarin ze zich vaker van leeftijdgenootjes afsloten dan anderen. En het geldt ook voor volwassen leven: er zijn er relatief veel die scheiden en ook verder is hun sociale netwerk beperkt.'

De travestieten uit uw onderzoek zijn gemiddeld een stuk ouder dan de andere onderzochten. Is het tegenwoordig voor jonge mannen makkelijker om hun vrouwelijke kanten te uiten in hun gewone leven?

' Ik zou het wensen maar ik geloof er niets van. Ik denk dat ook nu de factor blijft dat ze op jonge leeftijd nog minder uit durven komen voor deze beladen seksuele voorkeur. Travestie is nog steeds een van de meest verborgen verlangens.'

Waarom vindt u de hulpverlening aan travestieten en hun partners momenteel onvoldoende?

' Die hulpverlening, daar word ik gek van. Er klopt niets van de manier waarop RIAGG's georganiseerd zijn. Voor zover er sprake was van categorale hulpverlening is die beeindigd ten gunste van de integratie. 'Elk RIAGG kan alles'; daar is men vanuit gegaan, maar dat werkt niet. In de praktijk stoten travestieten vaak hun neus wanneer ze bij een RIAGG aankloppen; men weet geen antwoorden of geeft verkeerde adviezen. Elk RIAGG bijscholen op travestie en transseksualiteit is onnodig; daarvoor komt het te weinig voor. Landelijk moeten er taken verdeeld worden zodat een aantal RIAGG-medewerkers verspreid over het land zich kan specialiseren. Dat geldt wat mij betreft niet alleen voor travestie, maar ook voor andere problematieken zoals bijvoorbeeld incest. Het idee van een landelijk gespreide taakverdeling is niet revolutionair; kijk bij voorbeeld maar naar de hartoperaties.'

Betekent een betere hulpverlening het einde van zelfhulpgroepen zoals de TenT?

' Neeeee... ik zou die zelfhulp voor geen goud kwijtraken. Het gaat erom dat achter die TenT iemand moet zitten naar wie men kan doorverwijzen bij problematiek die een professionele aanpak behoeft. De TenT biedt onontbeerlijke hulp: je kunt er als travestiet praktische adviezen krijgen, je kunt er je verhaal kwijt aan lotgenoten, en je vindt er 'vriendinnen' om mee de straat op te gaan.'

    • Mieke de Waal