'Op weg naar 2000 moet er weer ruimte komen om politiek te bedrijven'; Thijs Woltgens: van sous-chef tot duo-leider

DEN HAAG, 5 jan. - Een beetje gevleid is-ie wel, alleen wil hij het niet zo laten merken. Thijs Woltgens (47), voorzitter van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA sinds november 1989, is door de parlementaire pers in een enquete van HP-De Tijd verkozen tot 'politicus van het jaar'. Het zat er in.

Tot de zomer opereerde Woltgens vooral binnenskamers, het laatste half jaar heeft hij in wekelijkse redevoeringen het kabinet onder druk gezet. Op de Haagse bureaucratie kon fors bezuinigd, de middeninkomens dienden gespaard, misbruik van uitkeringsrechten moest aangepakt, de 'mestkraan' moest dicht enzovoorts, enzovoorts. Als vanaf maandag de dagelijkse kabinetszittingen over de tussenbalans beginnen, ligt bovenop de stapel bovendien zijn toespraak van 17 december te Maastricht, een wensenlijst van Woltgens voor 'nieuwe evenwichten' in de komende jaren. Het is een plan dat het regeerakkoord ruimschoots te buiten gaat en de PvdA-lijn tot het jaar 2000 uitstippelt. Wim Kok heeft concurrentie. De parlementarier uit Kerkrade is in een paar maanden uitgegroeid van 'sous-chef' tot 'duo-leider'.

U hield zich tot de zomer vrij stil; pas daarna begon u het spel mee te spelen.

“Dat eerste half jaar was een gewenningsproces. Om na zoveel jaren als natuurlijke tegenvoeters opeens met het CDA te moeten samenwerken, was een culturele omslag. We kozen aanvankelijk een betrekkelijk laag profiel om het kabinet de gelegenheid te geven de hoofdlijnen van het beleid uit te werken. “

Daar is de PvdA flink voor gestraft bij de verkiezingen.

“Dat verlies was groter dan verwacht. Van de PvdA verwachtten de mensen de Grote Verandering. We werden geconfronteerd met opmerkingen als 'waar blijven jullie nou'. Maar na een half jaar moet een kabinet tegen een stootje kunnen.”

Was het niet de taak van Kok geweest om het profiel van de partij na de nederlaag scherper aan te zetten?

“Op den duur komt Kok toch het beste voor het voetlicht naarmate hij minder leider van de partij is en meer boven de partij staat. Hij wil beoordeeld worden op de klus die hij op Financien klaart, zodat straks ook niet-overtuigde PvdA-gangers kunnen zeggen: dat is een man aan wie je je centen kunt toevertrouwen. Ik durf de naam Drees bijna niet te noemen, maar eigenlijk is het zo wel een beetje.”

Is die rolverdeling zo gegroeid of zo afgesproken?

“Dat is gegroeid. Aanvankelijk wilde ik vooral voorzitter zijn van de fractie als sociaal geheel, om de groep op een lijn te krijgen. Bovendien vond ik dat in eerste instantie het beleid van de PvdA in het kabinet gestalte zou moeten krijgen. Daar hebben we de helft van de zetels, in de Kamer maar een derde. In het kabinet kon men niet om ons heen, in de Kamer wel. Typisch nog een redenering uit het 'wantrouwenmodel'. Maar de VVD heeft inmiddels zelf een andere koers ten opzichte van het CDA gekozen. En ondanks wat wrijvingen worden de hoofdpunten van het beleid door CDA en PvdA gedragen. Ik ben niet ontevreden. Veel oppositie is er ook niet. Bolkestein heeft zijn draai nog niet gevonden en Van Mierlo voert geen oppositie, want die is voor een centrum-links kabinet.”

Uw toespraak in Maastricht was een pleidooi voor een visie op lange termijn. Niet langer met de stofkam op zoek naar mogelijkheden om de financiele doelstellingen uit het regeerakkoord waar te maken. Die boodschap kon door het kabinet niet worden misverstaan.

“Al sinds 1975 gaat het in de Kamer om de vraag hoe we de boekhouding op orde brengen. Ondanks de Rudings, de Van der Stees, de Andriessens en wie er verder nog maar gezeten mogen hebben, zijn er kennelijk mechanismen gaande in onze boekhouding die onverdroten doorgaan. Dan prefereer ik nu een kwalitatief onderzoek naar de oorzaken van die telkens opstuwende overheidsuitgaven. Het gaat mij er om dat de tussenbalans wordt aangegrepen om fundamentele ingrepen te doen op een aantal ontwikkelingen die we hun gang hebben laten gaan. We moeten op weg naar het jaar 2000 weer speelruimte krijgen om politiek te bedrijven. De marges zijn in Nederland ontzettend klein geworden: oud beleid gaat gewoon door en eet de ruimte voor nieuw beleid op.”

Hoe pakt u dat aan?

“Een heel simpel voorbeeld is de groei van de bureaucratie. Zo lang ik me met de politiek bezig houd, hoor ik al verhalen over de politiek die de Vierde macht niet in de vingers krijgt. Dat geldt voor Den Haag, maar ook voor de uitvoeringsorganisaties in de gezondheidszorg en de sociale zekerheid. Ik geloof niet dat we die in die omvang zouden neerzetten als we nog eens opnieuw mochten beginnen. Probeer nou selectief de groei van de rijksdienst af te remmen. Er zijn jaarlijks 12.000 vacatures. Laten we er daar nou eens 4.000 niet van vervullen. Dat dwingt tot nadenken, tot prioriteiten stellen.”

Iedereen is over u heen gevallen toen u dit idee lanceerde. “In de reacties was de Vierde macht al heel nadrukkelijk aanwezig. De secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken noemde het 'lui denken'. Maar de mensen die de kans hebben gehad om jarenlang niet lui te denken zijn er niet in geslaagd zijn om het probleem aan te pakken.”

Secretaris-generaal Geelhoed van Economische Zaken zegt in zijn nieuwjaarsartikel in het maandblad Economisch Statistische Berichten dat ongerichte uitspraken over de omvang van de overheid een slag in het luchtledige zijn.

“Ongerichte uitspraken zijn altijd slagen in het luchtledige, maar die kunnen per ongeluk wel aankomen. De reacties van de Vierde macht maken de dimensie van het probleem nogal duidelijk. We hebben tien of twaalf jaar de tijd gehad om alle rapporten en fraaie, theoretische modellen in beleid om te zetten. Ik zie dat het niet is gebeurd.”

Is straks bij de discussie over de tussenbalans de vraag of de lasten kunnen worden verzwaard niet een dreigend conflictpunt in de coalitie?

“Ik vind dat het CDA daar tamelijk rustig mee is omgegaan. Zowel De Vries als Brinkman hebben heel duidelijk openingen gemaakt voor een verschuiving van lasten van smalle schouders naar brede. Van onze kant vind ik dat lastenverhoging niet iets is waar je naar zou moeten streven. Het totaalbeeld van de tussenbalans moet voldoen aan het criterium dat de zwakste schouders worden ontzien. Er is het afgelopen jaar bij de burgers meer ruimte in de consumptieve sfeer gekomen en minder bij de overheid. Maar als het gaat om extra inkomsten voor de overheid moet je voorzichtig zijn met lastenverhogingen die de loon-prijsspiraal kunnen opdrijven. Wat mij betreft worden de inkomens tussen minimum en zeg 50.000 gulden ontzien. Ik heb een voorkeur voor een tariefsverlaging voor deze groepen als bijdrage aan loonmatiging. Die verlaging kan dan in de plaats komen voor de verlaging van de BTW.”

Vlak na de verkiezingsnederlaag schreef uw fractiegenoot Melkert dat de manier waarop de PvdA voor de zwakken opkomt bevoogdend is.

“Op zichzelf is opkomen voor mensen aan de onderkant van de samenleving het wezenskenmerk van de sociaal-democratie. Maar hoe noem je dat, he? 'Opkomen voor de zwakkeren' komt voort uit de beste inborst. Alleen kan dat heel snel een paternalistische bijklank krijgen. Het lijkt net alsof we de mens niet meer zien als iemand met eigen mogelijkheden, eigen capaciteiten, eigen rechten en eigen plichten. Die connotatie moet weg.”

Hoe?

“Ik pleit ervoor om terug te keren naar het begrip burger. Niet in zijn bourgeois-betekenis, maar in zijn citoyen-betekenis. Een burger is iemand die onafhankelijk staat ten opzichte van de overheid en de welzijnsbureaucratie. Dat is niet iemand die in de watten gelegd hoeft te worden. Het is een zelfstandig individu in wiens dienst de overheid staat. Mensen zijn geen voorwerp van zorg. Ze hebben mogelijkheden, ze bieden kansen. Ze hebben verplichtingen. Dat is bij de PvdA wat ondergesneeuwd geraakt. Bij ons was de burger vaak meer het slachtoffer of de client.”

Hebt u bezwaar tegen een vergelijking tussen de periode-Drees en de jaren negentig?

“Elke periode staat in het teken van het collectieve geheugen van de voorafgaande periode. In mijn ogen was de Drees-periode vooral een consensus-reactie op de Colijn-tijd van grote werkloosheid. Er was op een gegeven ogenblik zelfs de bereidheid om 5 procent loon in te leveren, meen ik. In dat opzicht is een vergelijking met de jaren negentig mogelijk omdat de crisis van de jaren tachtig een diep insnijdende ervaring is geweest.”

Als Wim Kok Willem Drees is, dan is Thijs Woltgens Jaap Burger.

“Wat ik er zo van heb gelezen, was Burger degene die naar het partijkader het specifieke PvdA-geluid liet horen, terwijl Drees boven de partijen stond. Dat heeft toen succes gehad. Maar ik weet niet of ik mezelf kan vergelijken met Burger.”

Hij dronk meer dan Drees.

“Daar zit een overeenkomst”.

De cultuur is nu niet op soberheid gericht.

“Dat is zo. Het consumentisme doordrenkt de cultuur. Voor mezelf vraag ik me wel eens af wat ik nog meer zou willen consumeren. Ik zou niet zo gauw iets weten. Dat geldt natuurlijk niet voor alle groepen in de samenleving.”

Kijkt u maar eens in de winkels hier rond het Binnenhof.

“Ik ben er niet tegen dat mensen nieuwe kleren kopen en een nieuw televisie-apparaat als de oude stuk is. Het zou alleen niet slecht zijn als de consumptie zich vooral op dienstverlening zou gaan richten. Dienstverlening die het leven van de mensen wat aangenamer maakt.”

De jaren negentig zijn de jaren van de individualisering, niet van het gemeenschapsgevoel.

“De winst van de jaren zeventig - dat de mens een individu is, een autonoom wezen - gaat niet meer verloren. Maar voorzover het een pure ik-cultuur is geworden waarin men zich niet interesseert voor wat er naast de eigen deur gebeurt, wil ik daar verandering in brengen. De burger is ook een sociaal wezen die het niet zou moeten verdragen dat het anderen slecht gaat. Dat gevoel zouden we weer aan moeten leren.”

Hoe?

“De overheid is er niet voor om de moraal te prediken. Politici mogen wel meewerken aan een omvorming van de tijdgeest - die hoef je niet als een gegeven te beschouwen. Alleen al door erover te praten kun je het denken op gang brengen. Je kunt als overheid ook concrete dingen doen. Dan kom ik toch met sociale vernieuwing: een poging om de betrokkenheid van mensen te vergroten.”

Hirsch Ballin wil lespakketten naar de lagere scholen sturen om de 'socio-morele ontwikkeling' van kinderen op peil te brengen. Dat is de overheid als moralist.

“Daar moet de overheid heel terughoudend mee zijn. Maar voor politici die er een consistent wereldbeeld op na proberen te houden ligt dat anders. Het gaat in de politiek niet alleen om wat je beleidsmatig kunt bereiken, maar ook om wat je uit morele overwegingen vindt dat er fout zit. Bij ongelijkheid of armoede moet je het hebben van je morele invalshoek. De overheid moet de burger voorlichten over regels, ze doordringen van het nut ervan en dan ook optreden als ze stelselmatig worden overtreden. Maar je moet ontzettend oppassen dat het voorlichten niet overgaat in zedenprekerij.”

    • Folkert Jensma
    • Mark Kranenburg