ONGRIJPBAAR ITHAKA

Op zoek naar Ithaka

door C. H. Goekoop

144 blz., geill., Heureka 1990, f 39, 50

ISBN 90 6262 302 6

De Homerische heldendichten Ilias en Odyssee ontstonden tegen het einde van de achtste eeuw voor Christus in een wereld die radicaal verschilde van de moderne wereld, ja zelfs wezenlijk afweek van de wereld van de klassieke Grieken tweehonderdvijftig jaar later. De epen verhaalden bovendien over een wereld die, indien ze al ooit bestaan had, lang vervlogen was.

Toch is aan de 'historische kern' van de verhalen over het beleg van Troje en de omzwervingen van Odysseus sinds de negentiende eeuw van onze jaartelling door veel mensen nauwelijks getwijfeld. Er waren wel vraagtekens over wat er dan precies overbleef na het afpellen van de mythen en dichterlijke vrijheden. Maar Heinrich Schliemanns opgravingen van de burcht bij Hisarlik in Noordwest Turkije en van Mycene schenen het pleit te hebben beslecht: hier waren Troje en de stad van Agamemnon immers zichtbaar en tastbaar. Zo had de moderne mens weer een stuk werkelijkheid in zijn greep gekregen, leek het.

De Ilias en de Odyssee zijn meer dan zo maar epen, waarvan het werkelijkheidsgehalte intensief is nagespeurd. Voor de Grieken waren ze het fundament van hun identiteit. Maar ook in de moderne tijd zijn de gedichten in zekere zin geworden tot toetsstenen van onze civilisatie. Vooral in de vorige eeuw, met de verbreiding van de classical education en de Gymnasialbildung, zijn ze verknoopt geraakt met het waardenstelsel van de burgerlijke cultuur. Het is daarom dat zovelen zich met grote verbetenheid hebben vastgeklampt aan de 'historische kern' van de Ilias en Odyssee. Het is ook daarom dat het geloof in de historiciteit van de epen zo persistent is, en immuun is voor alle scepsis en argumenten van andersdenkenden.

Zo zijn twee denkwerelden over de Homerische gedichten ontstaan die nauwelijks met elkaar lijken te communiceren: de denkwereld van de 'gelovigen' die wortelt in de negentiende eeuw en de denkwereld van de moderne oudhistorische wetenschap, waar de kwestie van het 'waarheidsgehalte' al geruime tijd niet meer op de agenda staat.

Voor de 'gelovigen' leken door de opgravingen van Schliemann de grootste Homerische raadsels opgelost. Wat overbleef was de vraag naar de identiteit van de dichter zelf, en de kwestie van de lokatie van het geboorteland van Odysseus, Ithaka. Geredekavel daaromtrent was in het begin van onze eeuw een favoriet tijdverdrijf voor klassiek geschoolden. Was het op het moderne Ithaka (Thiaka in het Nieuw-Grieks) dat Penelope zo lang op haar held had gewacht, of was het toch op naburige eilanden als Kephalonia of Levkas geweest?

ITHAKA

Nu dan doet de burgemeester van Leiden, C. H. Goekoop, met het onlangs verschenen Op zoek naar Ithaka over deze kwestie een duit in het zakje. Met zijn theorie over 'de werkelijke ligging van Ithaka' treedt hij niet alleen in de voetsporen van beroemde voorgangers uit de vorige eeuw als William Leake, Schliemann zelf, Wilhelm Dorpfeld en de Nederlander Carl Vollgraf, maar ook in die van zijn grootvader Adriaan Goekoop, die in het begin van deze eeuw met een eigen theorie over de woonplaats van Odysseus kwam.

Goekoop junior staat helemaal in de negentiende-eeuwse traditie van geloof in de waarheid van de epen. Hij schaart zich zelfs onder de mensen die meenden dat Homerus schreef als 'een oorlogscorrespondent' (zoals Schliemann het uitdrukte) en alles met eigen ogen had gecontroleerd. Voor deze mensen zijn de Ilias en de Odyssee een bijbel, en geen historisch probleem. Toch is het juist Goekoops extreme geloof dat van Op zoek naar Ithaka een leerzaam boek maakt. Niet dat hij het in zijn speurtocht naar het land van Odysseus ook maar in de verste verten bij het rechte eind heeft. Niet omdat zijn benadering en argumenten ook maar een begin van vruchtbaarheid zouden hebben (dat hebben ze niet). Zelfs niet omdat men hem zou kunnen kritiseren dat hij “ Homerus veel te letterlijk neemt” (een argument dat zichzelf lelijk in de staart bijt, want het impliceert dat men Homerus wel 'een beetje letterlijk' kan nemen).

Het boek is leerzaam omdat de lezer onbedoeld wordt gedwongen positie te kiezen ten aanzien van het nog steeds breed verspreide 'halve geloof' in de historiciteit van de epen: de overtuiging dat Troje dan toch maar bestaat, dat met de Myceense beschaving de wereld van de Homerische helden toch maar is blootgelegd, en dat het best mogelijk is geweest dat in ieder geval een soort Odysseus op Ithaka woonde. Dit is een aantrekkelijke, beschaafde visie. Maar gezien vanuit het perspectief van de oudhistorische wetenschap berust zij, net als de heilige overtuiging van Goekoop, op niets.

Het dient gezegd dat de burgemeester van Leiden de kwestie-Ithaka benadert met een ontwapenende eerlijkheid. Sterker: zijn centrale cirkelredenering is zo pontificaal opgeschreven dat zij niet over het hoofd te zien is. De eerste zin van zijn boek luidt: “ Bij het zoeken naar Ithaka ben ik ervan uitgegaan dat Homerus in zijn geografische beschrijvingen exact te werk is gegaan en plaats en kenmerken van Ithaka precies heeft omschreven.” Honderdtwintig pagina's verder luidt de slotconclusie: “ In het epos van de Odyssee komt een zeer consistent beeld van Ithaka tevoorschijn. (Homerus) was zeer goed op de hoogte van de geografie en de topografie ter plekke en heeft het gebied zelf nauwkeurig bestudeerd alvorens hij zijn epos schiep.”

Vanuit deze egelstelling betoogt Goekoop dat tot nu toe niemand Homerus heeft begrepen. Ithaka is volgens hem geen eiland, maar een landtong van een eiland (Homerus gebruikte immers nooit het woord 'nesos' voor Ithaka; en zijn epitheton 'amphialos' betekent niet 'door zee omspoeld', maar 'aan weerskanten door zee omstroomd'). Omdat volgens Homerus Ithaka 'het meest naar het noordwesten' ligt, komt maar een plek in aanmerking: Erissos, de noordelijke uitloper van het tegenwoordige Kephalonia. Goekoop heeft (als verwoed zeiler in de Ionische Zee) geconstateerd dat alle nautische informatie op haar plaats valt, dat er zelfs eikeltjes te vinden zijn die Homerus ook al noemt; kortom alles, alles klopt. “ Het is nu, “ besluit Goekoop zijn boek, “ aan de archeologen... Zij moeten de stoffelijke resten opgraven en daarmee het bewijs rondkrijgen.”

Dit is nu over Ithaka precies dezelfde gedachtenkronkel die ook in de speurtocht naar Troje zo'n centrale rol speelt: een cirkelredenering die “ bewezen moet worden door de archeologie”. Immers, als de Ilias op waarheid berust en Troje echt heeft bestaan, dan komt de lokatie van Hisarlik in Turkije het meest in aanmerking, en omdat daar een eeuwenlang bewoonde burcht is gevonden die aan het eind van de Myceense tijd werd verwoest, moet het wel Troje zijn, en berust de Ilias dus op waarheid. Zo is het geen wonder dat de opgravingen hebben 'bewezen' dat Troje en de Trojaanse oorlog op waarheid berusten.

BEWIJS

De werkelijkheid is anders. Tot op heden is er, ondanks Schliemann, ondanks een eeuw opgravingen na hem, en ondanks de beeldvorming die het anders wil (” Machtswellust Mykene leidde tot Trojaanse Oorlog, “ kopte de Volkskrant onlangs alsof het om de Golf-regio ging), geen draad van archeologisch bewijs voor de historiciteit van de Homerische epen, noch voor de identificatie van de site van Hisarlik als het Homerische Troje, noch voor de Griekse alliantie die de veldtocht ondernam. Goed, ook de klassieke Grieken dachten dat de burcht Troje was, er is (elders) een drinkbeker gevonden die enigszins lijkt op Nestors drinkbeker als beschreven door Homerus, er is (elders) een helm met everzwijn-tanden gevonden die kan lijken op een helm uit de Ilias, er blijken paleizen en strijdwagens in de Griekse bronstijd te zijn geweest (zonder dat die overigens enige relatie hebben met hetgeen er in de epen over staat). Maar er zijn vooral veel archeologen geweest die geheel in de negentiende-eeuwse traditie bij hun opgravingen bordjes neerzetten met 'Het Paleis van Nestor', 'Badkamer van Agamemnon', 'Troje'.

Wat meer is, elke stap voorwaarts in de archeologische wetenschap maakt de relatie tussen Homerus en de opgegraven artefacten schimmiger. Aanvankelijk claimde Schliemann nog dat de tweede woonlaag van Troje (Troje II) het Homerische Troje was. Had hij daar immers niet 'de schat van Priamus' gevonden? Nu weten we dat hij duizend jaar mistastte met de datering en bovendien de 'schat' (die in 1945 uit Berlijn verdween) waarschijnlijk had gefabriceerd uit aankopen op de zwarte markt (net zoals er zware vermoedens zijn dat het 'masker van Agamemnon' uit Mycene door hem besteld werd bij een Parijse edelsmid - de Griekse regering weigert tot op heden ieder onderzoek naar de ouderdom van het goud).

Voor de volgende generatie opgravers van Hisarlik was het duidelijk dat Troje VIIa, de woonlaag was die in aanmerking kwam als Homerische stad. Troje VIIa is wellicht door mensenhand verwoest (ergens 'in de tweede helft van de dertiende eeuw voor Christus') maar lijkt in zijn armzaligheid in niets op de beschrijving van Homerus. Als 'bewijs' voor de verwoesting door de Griekse alliantie onder Agamemnon fungeerde lange tijd niets meer dan een speerpunt (die niet eens Grieks bleek te zijn) en een reeks ingegraven potten ('voedselvoorraden voor de oorlog' volgens het opgravingsverslag).

Tegenwoordig is men weer meer geneigd om het grotere Troje VI, waarvan bijna zeker is dat het door een aardbeving verwoest werd, te beschouwen als het Homerische Troje. Ook is er de laatste tijd enige ophef vanwege 'sensationelle Neufunde' door een Duitse opgraving nabij Hisarlik onder leiding van Manfred Korfmann. Maar wat die vondsten (onder meer een begraafplaats met gebeente van mannen, vrouwen en kinderen uit de laat-Myceense periode) te maken hebben met de Homerische epen, is geheel en al duister.

De vele opgravingen bij Hisarlik zijn van groot belang geweest voor de kennis van de Egeische bronstijd. Maar de geschiedenis van het 'archeologische bewijs' voor de historiciteit van de Ilias en Odyssee is de geschiedenis van een lange en smadelijke terugtocht. Dat er Myceense aanwezigheid was op de kusten van het huidige Turkije, wisten we al, en het is zelfs irrelevant nu de traditionele 'Myceense datering' van de Homerische wereld (die gebaseerd was op een extrapolatie van half-mythische genealogieen) ook door de meest verstokte 'gelovigen' wordt opgegeven. Nu ook vindingrijke vertalingen van Hetitische inscripties door de mand blijken te vallen, nu ook de Lineair B-teksten niets met de Homerische wereld te maken blijken te hebben, is elk houvast voor de 'gelovigen' verdwenen.

ONDERHOUDEND

Dit verhaal inzake Troje gaat op veel kleinere schaal ook op voor Ithaka. In het aardigste deel van zijn boek geeft Goekoop een onderhoudend overzicht van de speurtochten van zijn voorgangers. Het blijkt dat bijna overal op de Ionische eilanden al is gezocht, claims zijn gelegd en theorieen zijn geconstrueerd. Zo had Schliemann het in 1868 bij zijn eerste bezoek aan Griekenland snel gezien. Na een week stond voor hem de complete topografie van het Homerische Ithaka vast. “ Bij zijn observaties heeft zijn gevoel voor romantiek verre de overhand, “ schrijft Goekoop. Een juiste constatering: onlangs is onthuld dat Schliemann in zijn publikatie over Ithaka eenvoudigweg de door hem gehanteerde reisgids (het traditioneel romantische Murray's Handbook for Travellers in Greece, 1854 editie) had overgeschreven. Sinsdien is er een reeks van opgravingen geweest op alle eilanden die in aanmerking zouden komen voor het Homerische Ithaka. Het resultaat was, voor wat betreft de identificatie, nihil. Waarop Goekoop zijn hoop op 'archeologisch bewijs' (wat zou dat moeten zijn? ) voor 'zijn' Ithaka dan ook baseert, is onduidelijk.

De koele werkelijkheid is dat archeologische vondsten (anders dan inscripties) qualitate qua nooit een 'bewijs' kunnen zijn voor een evenement als de Trojaanse Oorlog, of de avonturen van een held als Odysseus. Archeologie is geen wetenschap die met 'bewijzen' komt. Oudheidkundige vondsten 'bewijzen' helemaal niets anders dan hun eigen aanwezigheid en passen hoogstens in een gecontrueerd beeld van langlopende historische ontwikkelingen. De datering van de Myceense ceramiek alleen al (het is die ceramiek die Homerus-vorsers vroeger in grote opwinding bracht) is in werkelijkheid zo problematisch dat elke samenhang met een korte gebeurtenis als de tien jaar durende Trojaanse Oorlog of het koningschap van Odysseus onmogelijk is. Zelfs als iemand ergens de resten van een houten paard vindt, zou dat niets bewijzen over juist dat ene houten paard uit de Ilias (misschien zou het een aanwijzing zijn voor een inheemse houten paarden-cultus).

Goekoops Op zoek naar Ithaka is een oprechte poging van een onbekommerde liefhebber. Het is ook van een ander kaliber dan het gelijktijdig verschenen werk van Iman Wilkens, Where Troy Once Stood, waarin wordt betoogd dat de Troje niet in het Egeisch gebied maar in Zuid-Engeland ligt. Hoewel dat boek al vrijwat stof heeft doen opwaaien, kan het oordeel erover kort zijn: het behoort tot de lunatic fringe die het onderzoek naar de Homerische epen al eeuwen omringt.

Op zoek naar Ithaka is, omdat het zo diep geworteld is in de traditie van absoluut geloof, wel een uiting van een fundamenteel verkeerd begrip van niet alleen de Homerische gedichten, maar ook van de Oude Geschiedenis, de klassieke archeologie en van historische argumentaties.

BRON

Vanuit wetenschappelijk perspectief kan de slotsom eenvoudigweg niet anders zijn dan dat er voor de historiciteit van het 'Homerisch Ithaka', de Oorlog tegen Troje, en voor het bestaan van Troje, geen ander 'bewijs' is dan de Homerische epen zelf. Maar dat wil niet zeggen dat de Ilias en Odyssee niet als bron voor historische studie kunnen dienen. Al in 1954 heeft de oudhistoricus Moses Finley met zijn baanbrekende boekje The World of Odysseus betoogd dat uit de epen, ondanks hun complexe ontstaansgeschiedenis, een algemeen beeld van de maatschappij van de vroege 'Dark Ages' van Griekenland (tiende en negende eeuw voor Christus) is te construeren. Dat was een wereld die niets van doen had met de Myceense bronstijdbeschaving, noch met Troje of Ithaka, noch met de Trojaanse Oorlog en de omzwervingen die beschreven zijn in de epen. De 'Homerische wereld' is vanuit een structuralistisch perspectief te bestuderen: de informatie over sociale verhoudingen, waardesystemen en bezitsverdeling schemert door de versregels heen.

Uit de erg magere literatuurlijst van Op zoek naar Ithaka blijkt dat Goekoop Finleys boek kent, maar het is blijkbaar niet tot hem doorgedrongen welke verpletterende consequenties Finleys betoog voor zijn hele onderneming heeft. Geconditioneerd door zijn absolute geloof heeft hij niet willen zien wat er aan modern onderzoek aangaande de Homerische epen is verricht. En hij is niet de enige. Zelfs veel vooraanstaande archeologen en oudhistorici hebben indertijd de handen tegen de oren gedrukt in woede vanwege Finleys 'blasfemie' tegen Homerus. Pas in onze tijd is de visie van Finley in de meeste oudhistorische handboeken gemeengoed.

Voor Op zoek naar Ithaka zijn dezelfde woorden van toepassing die de topograaf Henry F. Tozer meer dan honderdtwintig jaar geleden over Schliemanns Ithaque, le Peloponnese et Troie schreef: “ Een beetje meer kritische zin had hem een hoop moeilijkheden bespaard.”

    • Bastiaan Bommeljé
    • van Nrc Handelsblad